Posts Tagged ‘Werk’

Michael Minneboo is verhuisd

Sunday, February 14th, 2010

Vanaf heden is het blog van Michael Minneboo, freelance journalist en audiovisueel programmamaker verhuisd naar een nieuw domein: MichaelMinneboo.nl.Blogger werd op den duur toch wat te beperkt voor mijn doeleinden. Als freelancer moet je jezelf immers duidelijk presenteren en makkelijk te vinden zijn op het web. Het nieuwe blog is daarom onderdeel van een groter geheel, een portfoliosite waarin ik mijn werk en mezelf presenteer aan toekomstige opdrachtgevers. Mocht je mijn schrijfwerk willen volgen, hier is de rss-feed.De nieuwe site bevat een blog, mijn cv en voorbeelden van mijn schrijfwerk en de video’s die ik heb gemaakt en nog ga maken. Ik hoop je snel terug te zien op MichaelMinneboo.nl.Overigens blijft Mike’s Webs gewoon in de lucht als archief. Ik zal vanaf heden wel de moderator aanzetten: slapende sites zijn immers vaak een gewild slachtoffer van spammers.

Ontheemd

Thursday, January 21st, 2010

Ontheemd voel ik me. Vrijdagmorgen deed ik zoals iedere ochtend mijn mac aan, drukte de monitor aan en er gebeurde niet veel. Niet veel op visueel vlak tenminste. Ik hoorde de harde schijf wel opstarten. De monitor kreeg echter geen signaal meer. Niet analoog, niets digitaal. Daar zit je dan voor een zwart scherm.Ik doe bijna al mijn werk met mijn mac: schrijven, lezen, surfen, monteren, dromen, plannen, etc. Het is het belangrijkste stukje gereedschap dat ik bezit. En nu neemt de grafische kaart het feit dat ik met tien vingers blind kan typen wel heel letterlijk.Als het aan de grafische kaart ligt, natuurlijk. Een paar uur later deed alles het gewoon weer. Tot mijn grote verbazing en vreugde.
Totdat het hele feest dinsdag weer opnieuw begon. De mac afsluiten en daarna de stekker eruit trekken hielp soms, maar dat was geen doen natuurlijk. Dus moet mijn stukje gereedschap nagekeken worden. Vandaag kwamen ze hem halen, mijn partner in crime. Dat wordt afwachten tot ze het probleem hebben verholpen. In de tussentijd werk ik op een oude laptop.
Je denkt misschien: “Jezus, stel je niet zo aan. Er zijn veel ergere dingen in de wereld: hongersnood, Jantje Smit in zijn ondergoed in een bushokje en Balkenende. Daarbij vergeleken is het uitvallen van een mac pinda’s! En je zit dit nu te tikken, dus kennelijk zit je alweer achter een ander scherm, computerjunk dat je bent!”
Ja, ik zit achter een toetsenbord en er zijn zeker ergere dingen in de wereld. (En, for the record, ik ben fel tegen posters van Jantje Smit in zijn ondergoed in het openbaar!) Maar omdat ik nu niet bij mijn bestanden kan, worden bepaalde projecten vertraagd. Ik kan op deze laptop bijvoorbeeld niet monteren, dus Webisode #11 zal moeten wachten. Aanpassingen die ik wilde maken voor mijn nieuwe site zullen even moeten wachten. Geduld is een schone zaak, maar ik zat net in een lekkere flow. Vloeibaar werken is er nu even niet meer bij. Niet alleen mis ik meteen een berg applicaties, ook al die wachtwoorden die ik automatisch had staan en nu opeens weer moet gaan herinneren.En daarbij voelt het alsof ik mijn partner in crime moet missen, zoals gezegd. Dit toetsenbord voelt vreemd, het is even alsof dit mijn werkplek niet meer is. De situatie maakt voor mij weer eens duidelijk hoe je vergroeid kunt raken met de spullen die je gebruikt. Mijn mac is een verlengstuk van mijn lijf geworden.
Kortom, het is voor het werk wat ik doe simpelweg een lastige situatie.Maar goed, je moet jezelf niet te druk maken over zaken die je niet zelf kunt beïnvloeden. En de vorige keer dat ik een tijdje zonder digitaal gereedschap zat, heb ik het ook gewoon overleefd. Nu dus ook wel. Al wordt het minder waarschijnlijk minder twitter en bloggen de komende tijd.
To be continued.Lees ook: Terug in de wereld

Aandachtspunten

Wednesday, January 13th, 2010

Wat staat mij het komende jaar te wachten? Of nog belangrijker: waar wens ik me de komende tijd mee bezig te houden? Dat laatste heb ik namelijk wel zelf in de hand. Het eerste voor het grote deel niet. Enkele voornemens en aandachtspunten voor de komende tijd.

  • Allereerst wil ik zo snel mogelijk mijn nieuwe webstek gereedmaken. Een nieuwe site die professioneler is dan dit blog en tevens fungeert als portfoliosite. Ik ben dol op Blogger, maar voor een freelance journalist die ook video maakt, vind ik de functionaliteit van Blogger wat te beperkt. Mijn ambities zijn groter dan Mike’s Webs kan waarmaken.
  • Aandacht voor positiviteit: ik vind al een tijdje dat het internet erg verzuurt. Ik doel daarmee op de reaguurdersmentaliteit die nog steeds erg prominent is de Nederlandse blogosfeer. Dat betekent niet dat ik zelf minder kritisch wordt: als ik het ergens niet mee eens, zal ik dat zeker laten merken. Maar wel dat ik de aandacht wil richten op de positieve en mooie dingen die de online wereld te bieden heeft. En die er in de offline wereld te vinden is overigens. (Hier alvast drie voorbeelden van positiviteit op het web: Hart op straat waar ik me ook voor wil gaan inzetten, Geluk in uitvoering van de RVU en Wim de Bie als Nationale Mental Coach.
  • Monotasking: ik schreef een tijd geleden al de column ‘Fuck multitasken!’ en ‘Fuck multitasken: een paar maanden later‘, waarin ik het teveeldingentegelijkdoen afzwoor. En dat was toen nog zelfs vóór Twitter. Maar vanaf nu gaat die applicatie echt uit als ik geconcentreerd aan het werk ga, net als mijn e-mail. Ik hoef niet om de haverklap te zien wie mij nu weer mailt. Een paar keer per dag de inbox doorspitten moet genoeg zijn. En ik hoop op deze manier efficiënter met mijn tijd om te gaan. Ik waardeer mijn online netwerk, maar het leidt ook vaak af. Als je je zaken een beetje handig indeelt, is er tijd en plaats voor alles.
  • Persoonlijke gesprekken: ik vind het nog steeds het leukste om met mensen face2face af te spreken. Dat levert vaak inspirerende gesprekken op en soms tot spontane breinstormsessies die tot van alles en nog wat kunnen leiden. Recent zat ik rond de tafel met collega freelancer Jasper van Vugt: het is goed om af en toe met vakbroeders af te spreken en te horen hoe zij het maken. Gisteren zat ik met regisseur Naäma Palfrey aan de koffie. We zouden gewoon even bijpraten over privé-zaken maar kwamen ook te spreken over een huidig filmproject van haar en voordat je het weet vliegen de ideeën over tafel. Ik ga dan weer geheel opgeladen en vol goede zin richting huis. Het leven hoeft helemaal niet zo moeilijk te zijn.

Gedwongen vakantie

Wednesday, December 30th, 2009

Jezelf vrijaf geven blijkt in de praktijk vaak moeilijker dan je denkt. Ik heb mezelf twee weken vrijgegeven zo aan het einde van het jaar en had me voorgenomen zo min mogelijk achter mijn Mac te zitten, te twitteren en te bloggen. Dat blijkt in de praktijk moeilijk te gaan als je toch dagen thuis blijft. De oplossing voor mij is een paar dagen het huis ‘ontvluchten’. Even eruit, twee dagen een hotelletje met mijn lief. Weg van het keyboard als ‘t ware. Vanaf vandaag dus even niets, mijn slavendrijver kan zeuren wat ie wil. Dat ik daarom mijn webisode niet op tijd krijg afgemonteerd neem ik dan ook voor lief. Niemand die me dwingt om die dingen te maken en te posten. Alles op z’n tijd.Bovenstaande schreef ik als reactie op een blogpost van Peter de Kock. Ik volg zijn weblog al een tijdje met veel plezier.Vandaag voeg ik daad bij ‘t woord: twexit tot 2010!

Interview met Michiel Snijders: ‘Animatieproducent is een vak’

Wednesday, November 11th, 2009

Arnoud Rijken en Michiel Snijders zijn de drijvende krachten achter productiehuis il Luster. Nu zijn de animatieproducenten aan hun eerste lange speelfilm toe.‘Animatiefilm is fenomenaal anders dan een live-action of vleesfilm zoals ik hem graag noem. Bij een speelfilm is er al een werkelijkheid, dus dan is het de vraag in hoeverre je deze gaat manipuleren. Bij animatie is er in beginsel helemaal niets. Alles moet worden bedacht. Dat brengt zoveel denkwerk met zich mee dat je vanzelf een heel nieuw universum creëert. Daarin heb je een eindeloze vrijheid, want in animatie kan alles. En dat maakt het zo interessant,’ vertelt een begeesterde Michiel Snijders, mededirecteur van il Luster Producties en animatieproducent. Sinds 1997 produceert dit, naar eigen zeggen, meest actieve productiehuis vrije kunstzinnige animaties, opdrachtfilms en tv-series. En met succes want menig animatie valt in de prijzen.

DierenSinterklaas.

Op dit moment is il Luster in de ontwikkelingsfase van DierenSinterklaas. Dit moet de eerste lange speelfilm sinds Als je begrijpt wat ik bedoel (1983) en Beertje Sebastiaan (1990) worden. Van de nieuwbakken animatie-intendant van het Filmfonds hebben de producenten subsidie gekregen om een moving storyboard, ook wel animatic genoemd, te maken. Op basis van het moving storyboard kan het project begroot en uitgedacht worden. ‘Er zijn ook andere producenten een lange speelfilm aan het ontwikkelen, maar tenzij iemand als Endemol op dit moment heel commercieel een film in China aan het maken is, zijn we de eerste als DierenSinterklaas in december 2011 uitkomt. Ik hou wel van dat wedstrijdgevoel.’

Wat doet een animatieproducent?
‘We zijn niet de studio die daadwerkelijk de animatie uitvoert. De regisseur komt met het goede idee en wij als producenten bedenken dan een concrete creatieve invulling. Wij maken de vertaalslag om van een leuk idee een realiseerbaar project te maken. Soms zoeken we de financiën erbij. In het geval van een tv-serie onderzoeken we of een omroep partner wil zijn of dat we het project met een buitenlands productiehuis kunnen coproduceren. Er komt een hoop bij een animatieproductie kijken: je moet een team samenstellen, keuzes maken over de soundtrack en de distributie regelen. Met een korte film doen we die zelf, maar bij lange films heb je daar een distributeur voor. We doen het altijd samen met de creatief, het is teamwerk.’Wat is kenmerkend aan een il Luster productie?
‘Onze projecten hebben altijd een hoge production value. Of je de film nu mooi, leuk, stom of fantastisch vindt, hij is altijd technisch in orde. Daarbij communiceert iedere film een verhaal, ook abstracte animaties zoals Barcode of Display doen hun best om begrepen te worden. Voordat we aan een abstracte animatie beginnen moet de maker altijd kunnen beargumenteren waarom de film hier begint, waarom hij daar eindigt en waarom dit het midden is.’

Barcode.


Hoekje op zolder

Arnoud Rijken en Michel Snijders ontmoetten elkaar tijdens de studie Theater, film en televisiewetenschap aan de Universiteit Utrecht waar ze beide het dramaturgisch profiel volgden en filmproducties maakten. Rijken begon met il Luster toen filmmaker en animatieproducent Nico Crama, waar hij stage bij had gelopen, hem vroeg om de fakkel van de korte animatieproductie over te nemen. Snijders voegde zich al snel bij Rijken. Crama introduceerde de jonge honden bij het Filmfonds en leerde hen het vak. ‘Toen was de productie van animatie in Nederland redelijk amateuristisch: de vrouw van de animator produceerde de film bijvoorbeeld. Alles ging heel individueel. Crama was een van de weinige producenten die meerdere animators produceerde.’Animators die vers van de kunstacademie afkwamen hadden geen flauw idee met wie ze hun animatiefilm moesten gaan produceren. Rijken en Snijders zagen de mogelijkheid om het braakliggende landschap te ontginnen: ‘We hadden de ambitie om binnen vijf jaar de grootste producent van korte animatiefilms te worden. Dat hadden we eigenlijk al heel snel bereikt omdat er geen concurrentie was.’

Toch bleek de praktijk een harde leerschool. ‘We hebben het vak echt over de ruggen van onze eerste paar films geleerd,’ bekent Snijders. ‘Overigens hebben we ook projectmanagementtrainingen gevolgd en animatie masterclasses gedaan. Er was immers geen opleiding tot animatieproducent.’Het eerste kantoor van il Luster was gehuisvest in een hoekje op de zolder van filmtheater ‘t Hoogt in Utrecht. Eens per twee jaar deelden ze de zolder drie maanden met de staf van het HAFF die daar al sinds het begin van het festival zijn hoofdkwartier heeft. ‘Zo hebben we het festival van dichtbij leren kennen. Arnoud en ik hebben vaak hand en spandiensten aan hen verleend. Wij keken in de lunchpauze ook naar alle inzendingen en zagen zo ontzettend veel animatiefilms. Overigens betekende die nabijheid niet dat onze films meteen ook op het festival draaiden. Het heeft 12 jaar geduurd voordat ik in de jury zat en Arnoud gast is in het programma Heartstrings.’

Paultje en de Draak.


Hoe belangrijk is een vertoning op een animatiefestival voor jullie?

‘Door digitale media is het heel makkelijk geworden om te publiceren, maar dat garandeert nog geen publiek. Mensen moeten je films wel online kunnen vinden. Een festival als het HAFF selecteert voor je het beste wat animatie te bieden heeft. Daarbij is er door de massamedia de trend ontstaan dat mensen weer samen met gelijkgestemden een ervaring willen delen. Festivals zijn op dit moment dus een van de beste manieren om een geïnteresseerd publiek te vinden voor je korte animatiefilm.’

Je was dit jaar jurylid van de competitie studentenfilms. Welke criteria hanteer je?
‘Ik kijk naar elke film naar wat hij wil en ik probeer me te verplaatsen in de maker. Een professional moet gewoon een goede film maken, maar bij studentenfilms neem ik in de beoordeling mee dat het een eerste poging is. Ik wil graag dapperheid belonen, dat de maker die iets durft of probeert. Daarbij vind ik het belangrijk dat de filmmaker iets te melden heeft.’

Wat zijn in grote lijnen de huidige ontwikkelingen of trends in de wereld van de animatie?
‘Animatie wordt nu betaalbaar voor Europese makers, of anders gezegd: makers buiten Hollywood die iets anders maken dan de publieksvriendelijke film zoals Disney of Pixar die al jaren produceren. Er ontstaat een soort van arthouse-genre. Denk maar aan films als Waltz with Bashir (Ari Folman, 2008) en Persepolis (Vincent Paronnaud en Marjane Satrapi, 2007).

En in Nederland?
‘Professionals uit andere filmhoeken gaan zich ook met animatie bezighouden. Submarine bijvoorbeeld, een mediabedrijf dat documentaires, speelfilms, games en dus ook animaties maakt. Ik juich dat toe omdat het goed voor de sector is, tegelijkertijd ben ik heel voorzichtig omdat ik weet dat animatie produceren een heel moeilijk vak is.’

Dit artikel is gepubliceerd in VPRO Gids#44.
Lees ook:

Holland Animation Film Festival 2009

Friday, November 6th, 2009

4 t/m 8 november staat Utrecht weer in het teken van de animatiefilm, want dan vindt voor de dertiende maal het Holland Animation Film Festival (HAFF) plaats. Dat betekent aandacht voor animatie in al haar verschijningsvormen, van lange speelfilms tot korte non-narratieve films. En speciale evenementen zoals een vj-optreden van Motomichi Nakamura en een kunststripbeurs.

Het HAFF wil het beste van het beste vertonen op animatiegebied. Het festival kent dan ook zes competities: van de internationale competitie voor shorts tot en met MovieSquad HAFF Junior, waar een kinderjury de scepter zwaait. Vanaf nu zal het HAFF, dat sinds 1985 om de twee jaar geprogrammeerd stond, jaarlijks plaatsvinden. De organisatie heeft hiervoor gekozen om op die manier beter op trends in te kunnen spelen. ‘Op het vlak van animatie gebeurt er heel veel,’ vertelt Gerben Schermer, directeur en samen met Erik van Drunen verantwoordelijk voor de programmering van het festival. ‘Om dat bij te kunnen houden en te presenteren moet je jaarlijks een editie hebben. Nu kunnen we een nieuwe film als Panique au village (Stéphane Aubier en Vincent Patar, 2009) meteen vertonen in plaats van dat we een jaar moeten wachten.’ Met ruim 1.300 inzendingen komen er in ieder geval genoeg films uit om jaarlijks een uiteenlopende selectie te maken.

Publiekstrekkers
Naast een divers aanbod van korte animaties, reikend van kleine experimentele producties tot en met opdrachtfilms, toont het festival ook grote publieksfilms als Up! (Pete Docter en Bob Peterson, 2009) van de bekende animatiestudio Pixar en 9 (Shane Acker, 2009), geproduceerd door Tim Burton en Timur Bekmambetov. Een fijnzinnige film in het speelfilmaanbod die een speciale vermelding verdient is de Tsjechische film One night in the city van Jan Balej. Een stop-motion animatie waarin in drie verhalen vol verbeeldingskracht nachtelijke taferelen in de stad worden belicht: de rare hobby’s van de bewoners van een appartementengebouw, de vriendschap tussen een boom en een vis en het laatste segment waarin de wensdromen van twee dronkaards worden gekoppeld aan de lotgevallen van een mislukte straatmuzikant.

4K
Dit jaar ontbeert het festival een speciale gast waar de spotlight op gericht wordt. Voorgaande edities waren onder meer animator Peter Lord (medeoprichter van de Aardman Animations en co-creator van Wallace & Gromit) en Stephen Hillenburg (SpongeBob) speciale gast. Matt Groening, bedenker van de animatieserie The Simpsons, stond dit keer op het wenslijstje, maar het lukte de organisatie van het festival uiteindelijk niet om zijn bezoek rond te krijgen. ‘Hopelijk kunnen we hem de volgende keer wel verwelkomen,’ zegt Schermer. Wel bijzonder is de aanwezigheid van de Japanse kunstenaar/animator Motomichi Nakamura die de leader maakte voor het festival. Hij zal zaterdagavond 7 november een vj-show geven als onderdeel van het evenement en vertoningen van het Berlijnse Pictoplasma-project dat zich richt op hedendaags character-design.In themaprogramma’s wordt de focus op een bepaalde ontwikkeling in de animatiebranche gelegd of een stroming uitgelicht. Zo besteedt het HAFF traditiegetrouw aandacht aan Japanse animatie en nieuwe ontwikkelingen in de sector. Het festival opent bijvoorbeeld met de wereldpremière van de short Red-End and the Seemingly Symbiotic Society van filmmaker Robin Noorda en de fotografe en beeldend kunstenares Bethany de Forest. Deze stop-motion film is volledig digitaal geproduceerd in het nieuwe 4K format: een nieuwe digitale standaard met een zeer hoge resolutie. De productie ervan in live-action is nogal kostbaar, maar in de animatiesector relatief eenvoudig. De filmmakers geven vrijdag 6 november een seminar What the 4K! waarin dieper wordt ingegaan op deze techniek.

Slapstick
In het programma ‘Accidents & Disasters’ staan cartooneske missers, fatale wendingen en slapstick centraal. Het kan geen toeval zijn dat er tijdens de dertiende editie van het animatiefestival een programma is samengesteld rondom het thema ongelukken. Toch is volgens Schermer nummer dertien maar bijzaak voor het samenstellen van het programma: ‘De meeste jonge animators hebben de neiging om sociaalgeëngageerde films te maken. Er worden nog relatief weinig grappige films gemaakt, daarom wilde we de focus leggen op toegankelijke films waar om gelachen kan worden.’ In ‘Accidents & disasters’ zijn onder andere twee films van grootmeester Tex Avery opgenomen en 3 Misses van de Nederlander Paul Driessen, waarin drie luchtige verhalen door elkaar verweven zijn: een flatbewoner, een ridder en een cowboy zijn door hun onkunde niet in staat om respectievelijk drie dames in nood, waaronder Sneuwwitje, te redden.
Om te laten zien wat de bovengenoemde nieuwe garde animators zoal maakt zijn er de competities studentenfilms uit Nederland en België en de vrije korte film. Door digitale technieken is het maken van animaties voor een groot publiek toegankelijk geworden. Dat is een trend die een paar jaar geleden werd ingezet en die een stroom aan producties heeft voortgebracht. Met HAFF Tube kunnen animators zelf hun films van maximaal vijf minuten uploaden en zichtbaar maken. Uiteindelijk kiest een jury, bestaande uit de filmmakers die met hun film zijn geselecteerd voor de competitie voor shorts, uit de shortlist van 50 films één winnaar die als gast van het festival wordt uitgenodigd. Wie zijn werk liever op een groot scherm geprojecteerd ziet, kan zijn werk aanmelden voor het programmaonderdeel Digitale Art Directie.

Naughty
Animatie is een medium waarin de grens van de mogelijkheden vooral ligt bij de creativiteit van de makers. Zoals iedere kunstvorm heeft het medium ook met fatsoensgrenzen te maken en die worden soms overschreden. Medewerkers van Stash dvd magazine – gespecialiseerd in animatie, visual effects en motion graphics – stelde het programma ‘Naughty, Naughty, Naughty’ samen en bundelde 23 commercials, opdrachtfilms, videoclips en korte films waarin de seks, geweld en grove taal de grenzen van het toelaatbare in de media worden verlegd. Zo is in de Durex-reclame Get it on te zien hoe drie ballonhondjes gemaakt van condooms in verschillende standjes met elkaar copuleren. In een spot voor de kinderslotfunctie van een erotisch tv-kanaal, vloeien in een schetsboek inktvlekken langzaam over van afbeeldingen van geslachtsdelen naar beeltenissen die meer geschikt zijn voor kinderogen, zoals beertjes en vogels.

Zie voor meer informatie: www.haff.nl

Dit artikel stond in VPRO Gids #44.

De meerwaarde van online en offline ontmoetingen

Wednesday, November 4th, 2009

Recent werd ik tijdens Blog-Art waar ik een lezing hield over webvideo’s, geïnterviewd door Marjolijn van Heemstra, een freelance journaliste van dagblad Trouw. (Zie hier het artikel dat ze uiteindelijk schreef, mijn quotes staan in de 2e kolom op pag. 2. Met dank aan Karin R.). Van Heemstra vroeg me of het niet raar was dat bloggers elkaar met Blog-art offline ontmoetten. Ik vind van niet. Online activiteiten zijn immers allemaal een vorm van communiceren. Waarom zou het ene het ander uitsluiten? Mijns inziens zijn allebei nodig om je contacten goed te leren kennen.Vorige week vrijdag was ik in Utrecht bij Seats2Meet waar Karin Ramaker en Katja een Creatieve, ondernemende-borrel hadden georganiseerd. Het was gezellig toeven met een select gezelschap. (Zie onder andere deze post van Josephine Bronsgeest.) Nu kende ik Karin en Marco Raaphorst al van hun online werk en Blog-art, toch is samen keuvelen face to face van onschatbare waarde. Al het getwitter en gefacebook ten spijt, gaat rechtstreekse reallife communicatie gewoon sneller. Wat mij betreft, verloopt brainstormen in ieder geval soepeler. Was ik er via Twitter achtergekomen dat Raaphorst en ik een grote bewondering voelen voor John Lennon? Ik betwijfel het. Nu kwam de muzikant terloops ter sprake. Ik spreek niet vaak terloops op Twitter.Ook Blog-art zelf bleek een prima ontmoetingsplek. Zo ontmoette ik Verbal Jam (Arnoud de Jong) tijdens Blog-art. De Jong maakte indertijd audiocolumns voor EeuwigWeekend.nl waar ik toen co-hoofdredacteur van was. Anders dan via mail hadden we nog nooit contact gehad. Nu zaten we aan de bar blog- en andere verhalen op te halen. (Afgelopen vrijdag nam ik een interview op met De Jong, voor een toekomstige Webisode.) Ook was dit evenement een mooie gelegenheid eens te converseren met Madbello en Rutger – en andere webloggers die ik regelmatig lees. De mensen achter blogs ontmoeten plaatst hun werk in een bepaalde context, het maakt het beeld van hen completer. Laatst had ik een afspraak met een illustratrice. Hoewel we elkaar slechts eerder kort op een netwerkborrel hadden gesproken, had ze al een aardig idee van me gekregen doordat ze een mijn tweets volgde. Dat gaf een beperkt beeld wellicht, maar een begin van een plaatje dat met deze ontmoeting aangevuld kon worden. Je krijgt nooit een volledig plaatje van iemand door alleen zijn tweets en/of blogs te lezen. Persoonlijk contact is daarom ook in deze tijden onontbeerlijk voor wie elkaar goed wil leren kennen.Persoonlijk contact is voor een freelancer ook heel belangrijk, want in die beroepstak heb je heel erg te maken met de economie van het gunnen. Iemand een e-mail sturen met een goed verhaalidee werkt zelden als mensen je niet al een beetje kennen – dat geldt dubbelop in tijden van economische crisis. Daarom zijn (netwerk)borrels belangrijk. En terloopse ontmoetingen natuurlijk.Misschien is het wel een leuk idee om de prijsuitreiking van de Dutch Bloggies bij te wonen. Niet vanwege de prijs, maar wel om mede-bloggers te ontmoeten.
Om je een idee te geven wat je gemist hebt als je niet bij Blog-art was een video-impressie gemaakt door Madbello. Het is een uitgebreide video van het Blog-art festival. Ook van mijn lezing zijn opnames gemaakt. Maar neem vooral geen genoegen met slechts een sample: ik ben voor een persoonlijk optreden nog altijd in te huren. B-A 2009 long version from Mad Bello on Vimeo.

Striprecensie: Ik ben God

Thursday, October 29th, 2009

Levensbeschouwelijk navelstaren op Viva-niveauIk ben God, luidt de wat pretentieuze titel van het nieuwe album van Gerrie Hondius. Toch moet deze titel net zo luchtig worden opgevat als het stripverhaal dat hij aanduidt, want Hondius bewerkte voorvallen uit haar eigen leven met een flinke dosis zelfspot en fantasie. Hondius toont haar vakmanschap in de visualisatie van Ik ben God. Met een aanstekelijke, zwierige lijn toont de stripmaakster alleen de noodzakelijke elementen om haar verhaal te vertellen. Dit biedt de lezer de ruimte om zelf details in te vullen. De plaatjes zijn kaderloos en lopen in elkaar over, waardoor de strip letterlijk Hondius’ gedachtestroom visualiseert. Het is dan ook haar levensfilosofie en zoektocht naar zingeving die centraal staan. We zien Hondius herhaaldelijk in bed haar leven overpeinzen en dialogen met God of met een van haar onenightstands voeren. De herhaling van locaties en handelingen maakt dat het verhaal wat meer een eenheid wordt, hoewel dit vertelmiddel niet volledig het episodische karakter van de strip kan maskeren.Het levensbeschouwelijk navelstaren van Hondius mag dan vermakelijk zijn, het ontstijgt het niveau van bladen als de Viva of de Happinez niet. Om Ik ben God dan ook het predikaat ‘literaire strip’ mee te geven, wat uitgeverij Contact zonder schroom op de achterflap doet, gaat wat ver. Waarschijnlijk kan Hondius daar zelf ook hartelijk om lachen. Gerrie Hondius – Ik ben God
(Contact, € 17,95)
Deze recensie is eerder gepubliceerd in Zone 5300#87.

Hanco Kolk: ‘Ik zoek de schoonheid in het banale’

Friday, October 2nd, 2009

Foto: Mark van der Zouw / De Beeldunie

Stripmaker Hanco Kolk kreeg recent de P. Hans Frankfurtherprijs vanwege zijn inzet voor de Nederlandse strip. Een gespek over zijn passie voor het strip maken, zijn aanvallen van twijfel en zijn ‘huwelijk’ met Peter de Wit.

‘Ik ben erg snel verveeld met dingen,’ zegt stripmaker Hanco Kolk (Den Helder, 1957). ‘Ik heb altijd een positie willen bereiken waarin ik kan doen waar ik zin in heb. Daar ben ik nu vrij dichtbij. Ik ben me aan het amuseren.’ Op dit moment amuseert Kolk zich met uiteenlopende projecten. Samen met Peter de Wit (Sigmund) maakt hij de krantenstrip S1ngle, daarnaast speelt hij een rol in de film van Spinvis en werkt hij samen met Vlaamse stripmaker Kim Duchateau aan een script dat zowel tot een strip als een film moet leiden. ‘Dat gaat over een man wiens vrouw wil dat hij weer de man wordt met wie ze ooit trouwde. Omdat hij geen flauw idee heeft wat ze bedoelt, probeert de man zich dingen te herinneren door fysiek in zijn geheugen te stappen. Het geheugen blijkt uit verschillende sectoren te bestaan: hele steden waarin je van de ene naar de andere stad via ezelsbruggen kunt rijden.’

Elke donderdag geeft Kolk les aan jonge stripmakers op Artez hogeschool voor de kunsten. Sinds september dit jaar ging daar de opleiding Comic Design van start. ‘Het is natuurlijk niet de bedoeling dat er allemaal kleine Hanco Kolkjes uitkomen. Daarom wil ik de opleiding echt op de studentenmaat snijden. Kijken wat ze nodig hebben en dat aanbieden.’

Kolk behoort zelf tot de generatie autodidacte stripmakers. ‘Ik ben een verhalenverteller,’ zegt hij. ‘Strips maken is haast een legitimering van mijn bestaan. Als dat wegvalt, dan ben ik maar voor 40% de man die ik wil zijn.’ Kolk koos voor de strip omdat hij met dit medium alles zelf in de hand kan houden. ‘Wat je op je papier zet, dát is de strip. Als ik iets wil vertellen, dan wil ik dat op mijn manier doen.’ Al vanaf zijn achtste wilde hij stripmaker worden: ‘Op een gegeven moment kon ik Fred Flintstone tekenen en kreeg daar allemaal complimentjes voor. Dus ik dacht: ‘Ik teken er nóg één.’

De Wit & Kolk


Leerschool

Kolk begon zijn carrière in het undergroundcircuit met het blaadje de Gekleurde Omelet dat hij zelf mede oprichtte en Tante Leny Presenteert. Ook werkte hij als manusje van alles bij uitgeverij Drukwerk in Amsterdam. Daar kwam hij in aanraking met het tekenwerk van oude Belgische stripmeesters als Franquin en Tillieux die onder andere werden gepubliceerd in het Franse striptijdschrift Spirou (Robbedoes). Vanwege zijn bewondering voor hun tekenstijl ging Kolk bij stripblad Eppo werken. Daar raadde Wilbert Plijnaar, scenarist van Sjors en Sjimmie, artdirector en mentor van jonge stripmakers, hem aan om scenario’s voor de Donald Duck te gaan schrijven.

‘Dat was een goede leerschool. Die Disney-verhalen zijn namelijk heel wetmatig, alles wat erin gebeurt moet een functie hebben. Door dat keurslijf werd ik gedwongen doortimmerde scenario’s te maken. Dat heeft me weer geholpen bij de eerste verhalen over Gilles de Geus die ik voor Eppo maakte.’

De verhalen over de Hollandse struikrover Gilles spelen ten tijde van de Opstand der Nederlanden. Collega Peter de Wit was echter niet erg te spreken over Kolks eerste pennenvruchten. Tijdens een van de redactionele bezoeken aan het café sprak hij Kolk hierop aan: “Je hebt goud in je handen, maar je doet er niets mee! Waar is de Tachtigjarige Oorlog?!” Op een zaterdagmiddag hebben Kolk en De Wit toen twee korte verhalen geschreven om te kijken of ze goed konden samenwerken. ‘Het ging zó goed, het klikte ongelooflijk tussen ons. Ik ging naar huis en het was alsof ik half verliefd was,’ vertelt Kolk. De twee stripmakers zijn nog steeds boezemvrienden. ‘Hij is mijn man en Resi (van Kraaij, red.) is mijn vrouw.’ Het duo vult elkaar goed aan, vindt Kolk. ‘Peter is echt de gag-man van ons tweeën. Hij is heel scherp, geef hem een woord en hij verzint een grap. Ik let meer op de karakteropbouw, de timing en de dosering van de grappen.’
Ondoorgrondelijke wezens
Behalve Gilles de Geus maakten Kolk & De Wit samen Inspecteur Netjes, de fotostrip Mannetje & Mannetje en S1ngle. Van de strookjestrip over de drie vrijgezelle dames bestaat inmiddels ook een televisieserie, maar daar bemoeien de stripmakers zich verder niet mee. Wel leest Kolk altijd aandachtig de scripts door om te zien of er niets in staat dat teveel afwijkt van wat de personages in de strips zouden doen. ‘Peter en ik zijn in 2000 met S1ngle begonnen omdat we weer graag samen een dagstrip wilden doen. Als we een strip maken moet deze echt alleen nu gemaakt kunnen worden, we willen de tijdsgeest pakken. En de Single is echt iets van deze tijd.’

Daarbij kon Kolk ook zijn passie voor het tekenen van mooie vrouwen in de strip kwijt. ‘Ik vind vrouwen tekenen het allerleukste wat er is. Het zijn prachtige, ondoorgrondelijke wezens. Ik wil echte mensen van ze maken, geen pin-ups. Ik zoek de schoonheid in het banale, daarom teken ik Fatima bijvoorbeeld terwijl ze haar teennagels lakt. Van dat beeld kan ik erg genieten.

‘Kolk heeft naast de samenwerking met De Wit ook een boeiende solocarrière. Twee jaar geleden sloot hij zijn meesterproef Meccano, een vierdelige albumreeks, af met De Ruwe Gids. Kolk noemt dit album het hoogtepunt uit zijn carrière. De eerste drie albums, Beauregard, Gilette en Schlager worden in november gebundeld heruitgebracht bij uitgeverij de Harmonie. Meccano (lees Monaco) speelt zich af in een gelijknamig vorstendommetje aan de Middellandse Zee, waar het leven wordt beheerst door hebzucht, hedonisme en opportunisme.

In de strips geeft Kolk door middel van satire flink af op de excessen in de maatschappij. Ergernis blijkt een grote inspiratiebron voor zijn verhalen te zijn: ‘In Gilette zit een scène waarin opgeföhnde fotomodellen worden neergezet in een sloppenwijk voor een modereportage. Dat heb ik letterlijk in de Vogue zien staan. Daar kan ik me zó aan ergeren. Meccano was een perfecte manier om mijn woede over dat soort zaken te luchten.’ Kolks werk, ook bijvoorbeeld een verhaal van Gilles de Geus, is altijd persoonlijk. ‘Ik probeer altijd iets van mezelf in de strip te stoppen zodat het verhaal meer overtuigingskracht krijgt. Het moet een zekere legitimiteit hebben.’

Goedbedoelde rotzooi
In 1999 zag de stripmaker het allemaal niet meer zitten en raakte naar eigenzeggen fucked up. ‘Het was een rottige tijd. Ik maakte kinderstrips voor Taptoe, terwijl ik heel ander werk wilde doen. De Gilles-stijl is wat ik noem de dikke-neuzen-flapschoenen-stijl en ik voelde me daar niet lekker meer bij. Als je dan ook nog humor moet gaan maken, dan is dat is het recept voor een depressie.’ Op aanraden van een vriend ging Kolk ertussenuit, naar Toscane. Over die ervaring tekende hij het boekje Retraite. In dat boekje zien we voor het eerst de swingende, naar abstractiehangende lijnenstijl die hij perfectioneerde in De Ruwe Gids en die naar eigen zeggen op natuurlijke wijze uit zijn handen vloeit.

In Retraite toont Kolk zijn theatrale kant. Reeds op de eerste bladzijde – die hij al tekende voordat hij op reis ging – kondigt de stripmaker aan dat dit de beste verhandeling over fucked-upness moet worden die ooit is gemaakt. Dat suggereert dat zijn breakdown deels gechargeerd is. ‘De manier waarop ik leef moet een mooi meeslepend verhaal zijn met mijzelf in de hoofdrol,’ legt Kolk uit. ‘Ik kan daar soms heel kinderachtig in zijn. Om het eindigen van Meccano een bepaalde betekenis te geven heb ik op mijn vijftigste verjaardag de laatste streep van De Ruwe Gids gezet.’

Kolk is een perfectionist en op zoek naar vernieuwing. Sinds het afronden van Meccano zoekt hij een nieuwe tekenstijl. ‘Op het moment dat het tekenen een automatisme gaat worden, word ik achterdochtig. Er moet dan weer wat nieuws komen, anders is het te makkelijk.’De zucht naar perfectie leidt bij Kolk soms ook tot grote twijfelaanvallen: ‘Dan ben ik aan het werk en denk ik opeens dat het allemaal goedbedoelde rotzooi is wat ik maak. Soms bel ik dan met Miriam, mijn agent van Comic House, en overdrijf ik door te zeggen dat ik de slechtste tekenaar van de hele wereld ben. Gelukkig is Miriam iemand die dan antwoordt: “Van de hele wereld? Van het universum zul je bedoelen! Er is nog nooit zo’n slechte tekenaar als jij geweest!” En dan is het weer over. Of ik draai heel harde muziek zodat ik de negatieve stem in mijn hoofd ook niet meer hoor.’

Erkenning
In de loop der jaren kreeg Kolk al veel erkenning voor zijn werk. In 1996 ontving hij de Stripschapprijs voor zijn oeuvre – naar zijn gevoel te vroeg. Tijdens de stripdagen dit jaar kregen Kolk, Jean-Marc van Tol en minister Ronald Plasterk (OC&W) de P. Hans Frankfurtherprijs uitgereikt vanwege hun inzet voor de Nederlandse strip. Mede door hun toedoen heeft Nederland er een stripintendant, een nieuwe oeuvreprijs en de bovengenoemde stripopleiding bij.

In 2008 weigerde Kolk samen met Peter de Wit om de Hoogste Prijs van de VPRO in ontvangst te nemen. De stripmakers vonden dat het lage prijzenbedrag van 1250 euro de ambitie van de prijs, bedoeld om de topkwaliteit van het Nederlandse beeldverhaal te belonen, ondermijnde.

Overigens verandert niet alles wat Kolk tekent in goud. In 2007 tekende hij een week op de redactie van The New Yorker. ‘Ik had een paar illustraties opgestuurd omdat die me wel geschikt leken voor The New Yorker en twee artdirectors waren daar heel enthousiast over. Als proefopdracht maakte ik een serie illustraties over Casanova in New York, maar deze zijn uiteindelijk gestrand op het bureau van de hoofdredacteur. Vroeger was ik er net zo lang mee doorgegaan tot het wel lukte of ik erbij neerviel, maar nu dacht ik: laat maar zitten. Al baalde ik er wel van.’

In mei dit jaar kreeg Kolk een hartaanval en werd gedotterd: ‘Het irriteerde me heel erg, want dingen moeten het gewoon doen bij mij. Ook een hart.’ Hoewel Kolk er laconiek over doet, denkt hij door deze ervaring wel serieus na over de koers van zijn werk. ‘Ik ben blij dat Meccano afgelopen is en wil nu zeker andere dingen gaan maken. Ik heb de afgelopen maanden veel geschreven. Ik heb drie, vier grote ideeën, maar vraag me af of ik daar zelf nog genoeg tijd voor heb of dat ik de uitvoering ervan moet uitbesteden aan anderen.’

Deze tekst stond in VPRO Gids#39.

Mike praat met Blog-Art over webvideo’s

Friday, September 18th, 2009

Blog-Art staat in oktober op stapel. Een evenement voor en door creatieve webloggers. Ik zal daar iets vertellen over internetvideo. Aan de hand van voorbeelden – goede en heel slechte – wil ik basisbeginselen van het videomaken uitleggen. Ik hoop ook op een paar spannende vragen uit het publiek.Volgens Karin Ramaker en Marco Raaphorst, de breinen achter het evenement, heeft Blog-Art een viertal doelen:

  • creatieve webloggers laten hun werk zien en horen
  • een meetingpoint voor webloggers en andere geïnteresseerden
  • live performing art
  • samen werken (live foto’s van blog-art uploaden naar Flickr, live Twitteren, live bloggen)

Omdat ik een van de deelnemers ben van dit unieke blogevenement vroeg de organisatie mij een paar vragen te beantwoorden. Dat interview staat vandaag op de site.Blog-Art is 9 oktober in Theater aan het Spui in Den Haag. Zet het in je agenda en bestel hier je kaarten.

Mike hoort stemmen

Thursday, September 17th, 2009

Het lijkt zo makkelijk als je het hoort: een voice-overtekst inspreken, radio dj zijn of stemmetjes inspreken voor een animatiefilm. Zaterdag bezocht ik de oriëntatiedag voor stemmen in Hilversum. Ik heb veel goede tips gehoord van professionals uit het veld. Conclusie: stemmen inspreken doe je niet zomaar, dat is een vak!Zaterdag 12 september was ik op uitnodiging van internationaal stemmenbureau MultiVoice en Qletz aanwezig op de oriëntatiedag voor mediastemmen. Mensen die geïnteresseerd zijn in het inspreken van teksten voor tv-programma’s, commercials, animatiefilms en nieuwsberichten konden daar voorzichtig kennismaken met het vak.
De dag wordt jaarlijks door MultiVoice georganiseerd om mensen te interesseren in de workshops die ze in samenwerking met Qletz geven. De dag is dus ook deels bedoeld om mensen te laten inschrijven in de cursussen en om tussen de enthousiastelingen al een beetje het kaf van het koren te scheiden.De dag begon met korte lezingen van professionals uit het veld. Frits Bloemink (zie foto), presentator Radio 4 en voice-over bij tv-programma’s, benadrukte dat het een vak is waar je echt voor moet gaan: ‘Dit werk doe je omdat je het erg graag wilt. Als je anderen hoort spreken, moet je geprikkeld worden om het zelf ook te willen.’Er was ook wat ruimte om van de praktijk te proeven, al had dat volgens sommige deelnemers wel wat meer mogen zijn. Twee vrijwilligers uit de zaal kregen een tekstje uit het programma Opgelicht voor te lezen. Er werden meerdere pogingen gedaan om de tekst goed uit te spreken, soms ook met een sfeermuziekje op de achtergrond. Opvallend snel pikten zij de aanwijzingen van de professionals op. Zo vertelde Bloemink dat het belangrijk is jezelf in te leven in wat je zegt. Je moet bij sommige programma’s sfeer maken om de kijker/luisteraar bij het verhaal te betrekken. Een beetje acteren dus. Maar zonder dat de luisteraar dat echt doorheeft, want wat je zegt moet naturel overkomen.’Een goede spreker moet van schrijftaal, spreektaal weten te maken,’ legde nieuwslezer Jeroen Tjepkema uit. ‘Het moet namelijk niet te horen zijn dat een stem voorleest.’ Tjepkema noemt dit ‘loskomen van de tekst.’ Als een spreker zijn eigen tekst schrijft is het veranderen van woorden geen probleem, maar wanneer je te maken hebt met een tekst die vanuit een opdrachtgever komt en waar door vele koppen lang over vergaderd is, kan het veranderen van een tekst in de praktijk lastig zijn. Uiteindelijk staat een stem altijd in dienst van de boodschap (en degene die voor die boodschap betaalt).Logopedie
Een professionele stem word je natuurlijk niet zo maar. Een belangrijk basiselement is talent en vooral passie voor het vak, maar daar ben je er nog niet mee.
Het woord logopedie viel opvallend vaak die middag. Aangezien de stem een instrument is dat je moet leren beheersen, hebben veel professionals baat bij logopedie. Ook Tjepkema liet zich door een logopedist trainen om aan zijn ij-klank te werken. Ook wordt hij nog regelmatig gecoacht door een stemmencoach.Acteur en regisseur Howard van Dodemont maakte duidelijk dat een acteur achter zijn personage moet staan. Alleen dan weet hij te overtuigen. Van Dodemont ging wat meer in op het psychologische aspect van het acteren en spreken: ‘Wie ben jij? Ontdek waar je goed in bent, want je kunt niet alles. Maar binnen je grenzen is er zóveel mogelijk. Waar ligt jou talent? Mensen hebben vaak wel een idee en volgen dat blindelings, maar ze zouden wat meer naar hun eigen geluid moeten luisteren!’ sprak Van Dodemont het publiek gepassioneerd toe. Ook hij hamerde er op dat mensen bereid moeten zijn om zichzelf te trainen. Een Stem ben je niet zo maar, dat kost moeite en toewijding. En ook niet belangrijk: je moet geen gene hebben; je moet het wel durven.Na de sprekers was er een lunch en de mogelijkheid om informatie over de cursussen te vergaren. Sommige mensen deden dat, anderen lieten zich tot karikatuurtekenen door huistekenaar Hallie Lama. Opvallend feit was de diversiteit van de bezoekers op de oriëntatiedag: van een jonge studente tot een ingenieur van zestigplus die zich wel eens op een ander vak wilden oriënteren. Mij werd die dag duidelijk dat ik voorlopig het inspreken even links laat liggen. Mijn ambities liggen voor nu meer bij de journalistiek: het schrijven van boeiende artikelen over beeldcultuur en het maken van interessante video’s. Ieder z’n vak.Alle foto’s zijn gemaakt door Roos Manintveld.

Eppo, Eisner en Pulpman: Passie voor de strip in al zijn facetten

Wednesday, September 2nd, 2009

Het Nederlandse striplandschap is recent verrijkt met drie stripbladen. Voor de liefhebber van literaire stripverhalen is er Eisner; voor prikkelende pulpstrips is er Pulpman, terwijl Eppo vooral de nostalgische lezer bedient.

Het stripblad Eisner is gewijd aan de grafische roman en bevat korte beeldverhalen met literaire ambities. Vorig jaar november verscheen het eerste nummer in 2500 exemplaren bij uitgeverij Podium. Het stripblad is vernoemd naar de Amerikaanse stripmaker Will Eisner die naar verluidt de term graphic novel introduceerde om uitgevers te interesseren voor zijn strip A Contract with God (1978). Grafische roman klinkt in de oren van een literaire uitgever immers beter dan strip, een medium dat in eerste instantie geassocieerd wordt met leesvoer voor kinderen. De redactie van Eisner hoopt dit beeld te veranderen en literatuurminnende lezers kennis te laten maken met strips voor volwassenen. Hoofdredacteur Erik Noomen, die recent het stokje overnam van Ward Wijndelts: ‘Een vorm die gebruikt wordt om een Asterixverhaal te vertellen kan ook worden ingezet voor het vertellen van een verhaal over het Midden-Oostenconflict.’ Bij de selectie van de strips gaat de redactie vaak uit van de stripmaker, laat Noomen weten. ‘De tekenaar moet iets eigens hebben en het verhaal visuele zeggingskracht.’De Eisner-redactie heeft een eclectische en uiteenlopende smaak: in de twee nummers die er tot nu toe zijn uitgebracht staan onder meer een sfeervolle stripbewerking van het horrorverhaal ‘The outsider’ van H.P. Lovecraft door Erik Kriek, twee sleutelscènes uit de roman Het Diner van Herman Koch verstript door getalenteerde nieuwkomer Merel Barends, een bijdrage van Michiel van der Pol waarin hij vol zelfspot jeugdherinneringen over zijn seksuele voorlichting verhaalt en ook gerenommeerd werk van internationale stripmakers als Daniel Clowes die in ‘Art School Confidential’ met bijtende humor het kunstonderwijs portretteert. Door die diversiteit is Eisner een aardige staalkaart van wat het beeldverhaal te bieden heeft. De geselecteerde voorpublicaties die ook in het blad staan vormen echter zelden een afgerond verhaal, wat een onbevredigende leeservaring oplevert.In de toekomst hoopt Noomen enkele bekende namen uit de literaire wereld aan het blad te verbinden. Arnon Grunberg heeft toegezegd een stripscenario te schrijven op basis van een van zijn reisreportages en Robert Vuijsje, winnaar van de Gouden Uil voor zijn debuut Alleen maar nette mensen, zal ook een script schrijven.

Pulpman: Pulp voor de liefhebber
Waar Eisner drie keer per jaar staat voor de literaire en poëtische strip, vertegenwoordigt Pulpman iedere zes weken de andere kant van het spectrum: vermakelijke pulpverhalen waarin op expliciete wijze en zonder schroom de duistere kanten, driften en zwakheden van de mens worden belicht. Vaak met de titelfiguur van het blad, een naargeestig mannetje met een clownesk gelaat, in de hoofdrol. Net als bij de andere stripbladen beoogt de redactie als keurmerk te fungeren. ‘Pulpman zoekt naar de parels van de pulp. […] Uitgangspunt voor een goede strip blijft vakmanschap: een tekenaar die kan tekenen, met swung en dynamiek, een verhaal vertellen, karakters neerzetten en een sterke lay-out,’ aldus het voorwoord in de eerste Pulpman die februari dit jaar in een bescheiden oplage van 800 stuks van de drukpers rolde. Vervang het woord ‘pulp’ voor ‘beeldverhaal’ en dezelfde introductie had ook in Eisner kunnen staan.Stripmaker, schilder en illustrator Fred de Heij en uitgever Ger van Wulften initieerden Pulpman uit eigen behoefte. De Heij: ‘Ik wilde altijd al een striptijdschrift hebben en ben uitgegaan van wat ik het allerleukste vind.’ Omdat De Heij het merendeel van de strips en achtergrondartikelen verzorgt drukt hij een duidelijke stempel op het blad. Zijn verhalen zijn over the top, eindigen geregeld met een onverwachte wending en zijn dikwijls pornografisch.

Net als Eisner bevat Pulpman originele verhalen en voorproefjes van nog uit te komen strips. Mede dankzij de korte introductie van de gasttekenaars geeft Pulpman een aardig, zij het wat willekeurig beeld van het begrip pulpstrip. De Heij en gastschrijvers als Peter Breedveld, striprecensent van Vrij Nederland, lichtten in de artikelen uiteenlopende onderwerpen uit. Hoewel De Heij zijn persoonlijke visie geeft komt de nieuwsgierige lezer veel te weten over bijvoorbeeld de geschiedenis van pulpstrips en de invloed van Joodse makers op de Amerikaanse stripindustrie. De toon van Pulpman is die van een dikke knipoog en een tikkeltje tegendraads. Het zal geen toeval zijn dat in het eerste nummer de Eisner wordt gerecenseerd. Zelfs over een op het eerste gezicht onschuldige en oubollige jongensstrip als Bob Evers (uit de Eppo) weet De Heij te vertellen dat deze zijn oorsprong heeft in een strip die in het nationaal-socialistische blad Jeugd werd gepubliceerd.

Gezien de toon en de verheerlijking van pulp ligt het voor de hand om het blad te zien als tegengeluid op de graphic novel. Toch stellen de makers duidelijk dat ze nergens tegenaan willen schoppen. Het plezier en de passie die de bladmakers voor pulpstrips hebben straalt Pulpman zeker uit en werkt aanstekelijk.Eppo, een nostalgisch stripblad
In het midden tussen Eisner en Pulpman bevindt zich de Eppo. Dit tweewekelijkse stripblad bevat voorpublicaties van mainstream strips, het soort waar je het eerste aan denkt als je het woord strip hoort: Storm, Agent 327, Franka en Dirkjan. Het gros bestaat uit onschuldige avonturen- en humorstrips die, net als sommige verhalen in Pulpman, in afleveringen verschijnen. In tegenstelling tot Eisner dient van deze bladen dus ieder nummer aangeschaft te worden om niets van de vervolgverhalen te missen.

Voorpublicaties zijn misschien vervelend voor de ongeduldige lezer, volgens Eppo-hoofdredacteur en initiatiefnemer Rob van Bavel zijn ze een belangrijke inkomstenbron voor stripmakers omdat de albumverkoop te laag is om van te leven. Daarbij wordt het ouderwetse Eppo-gevoel volgens sommigen juist gekenmerkt door het in spanning afwachten tot het nieuwe nummer weer op de deurmat valt.

Eppo werd in januari dit jaar nieuw leven in geblazen. Het stripblad verscheen oorspronkelijk van 1975 tot halverwege de jaren tachtig. Na talloze naamswijzigingen en samenstellingen verdween het in 1999 van de markt. De nieuwe Eppo lijkt voort te komen uit een drang naar nostalgie, want het merendeel van de strips stond ook in de eerste incarnatie van het blad. Volgens Van Bavel is Eppo ook niet voor kinderen bedoeld, maar voor de dertigplussers die het vroeger ook lazen: ‘Jongeren vanaf zes jaar lezen geen strips meer, die gaan liever gamen of online. Dat is ook de reden dat de oude Eppo uiteindelijk is verdwenen: ze hielden vast aan de jeugd als doelgroep.’ Toch hoopt hij dat de Eppo van papa ook wordt ingekeken door nieuwsgierige lezertjes.

Hoewel de interviews in het blad interessant leesvoer zijn en de achtergrond en methodiek van de stripmakers inzichtelijk maken, wekt de toon van de redactionele teksten niet de indruk dat volwassenen worden aangesproken. Desondanks lijkt Eppo een succes: met een oplage van 25.000 exemplaren is dit het grootste stripblad van Nederland.

Dit artikel verscheen eerder in VPRO Gids #34 onder de titel Nieuwe Avonturen.

Lees ook: