Posts Tagged ‘Striprecensie’

Striprecensie: Tamara Drewe

Monday, January 18th, 2010

Wie Tamara Drewe van Posy Simmonds openslaat, zal in eerste instantie wellicht terugschrikken van de grote hoeveelheid proza die hij aantreft. Dit is geen strip, maar een boekwerk waarvoor de term ‘grafische roman’ lijkt te zijn uitgevonden: grote stukken tekst worden afgewisseld met stripstroken en illustraties. Simmonds maakte een soap die vooral door de vertelvorm interessant leesvoer biedt. De teksten zijn afwisselend geschreven vanuit het perspectief van drie personages: schrijver Dr. Glen Larson die zich op Stonefield Retreat samen met collega-scribenten terugtrekt om aan zijn roman te werken, Beth Hardiman die dit toevluchtsoord en de carrière van haar man (eveneens een – verwaande – schrijver) bestiert en tienermeisje Casey Shaw die mede door de ondoordachte acties van haar vriendin Jody gebeurtenissen in gang zet die voor de betrokkenen verregaande gevolgen hebben. Door dit drie paar ogen ervaren we wat titelpersonage Tamara Drewe allemaal uitspookt en vooral, met wie ze dat doet.Drewe is een aantrekkelijke columniste die na het overlijden van haar moeder weer in het ouderlijk huis gaat wonen. Ze laat het hart van menig man sneller kloppen; haar relatie met een ex-rockster houdt de gemoederen in het kleine gehucht Ewedown dan ook bezig.Simmonds hanteert op vaardige wijze haar potlood en weet de combinatie tussen proza en strip inhoudelijk goed uit te buiten. Al overheerst de tekst soms te veel ten opzichte van de illustraties. Graag had ik meer strip gezien in deze graphic novel. Desondanks is Tamara Drewe, dit jaar bekroond met de Angoulême Essentiel, voor wie van relationele intriges en een meervoudige vertelvorm houdt, een genot om te lezen.Posy Simmonds – Tamara Drewe (De Harmonie €22,50)
Deze recensie is verschenen in Zone 5300#88.

Striprecensie: Y: The last man #1 – Ontmand

Friday, November 27th, 2009

Het zal sommige mannen misschien als een sprookje in de oren klinken om de laatste man op aarde te zijn. Aan gewillige, geile vrouwen heb je dan immers geen gebrek. Niets is minder waar voor Yorick Brown die in de comic Y:The last man inderdaad het allerlaatste exemplaar van het mannelijk geslacht op aarde is. Zijn metgezel, een mannelijke kapucijnaap, daargelaten.In de zomer van 2002 vernietigde een plaag van onbekende oorsprong elke zaadcel, foetus en volgroeid zoogdier met het Y-chromosoom. Een wereld zonder mannen blijkt chaotisch en stuurloos waarin vrouwen werken voor voedsel en zich hebben onderverdeeld in verschillende facties. Zoals de Amazones: een groep extreme feministen die net als de amazones wier naam ze hebben overgenomen een borst hebben laten wegbranden en op zijn zachts gezegd geen fan zijn van het mannelijk geslacht. Zodra ze van het bestaan van Yorick horen willen ze er alles aan doen om zijn levensduur zo kort mogelijk te maken. Nerdy joch
In Y: The last man is de potentiële laatste redder van de wereld geen Schwarzenegger-achtige held, maar een beetje nerdy jongen met een voorliefde voor ontsnappingskunstenaars en een romantische inborst die bereid is om alle boosaardige mannenhaters te trotseren om naar zijn vriendin in Australië af te reizen. U begrijpt dat die eigenschappen hem nog ver zullen brengen tijdens zijn overlevingstocht. En vaak ook problemen veroorzaken, net als de aap die hij altijd bij zich heeft. Gelukkig wordt het stel bijgestaan door een geheimagent. De tekeningen zijn van de hand van Pia Guerra die op vakkundige, doch niet opzienbarende wijze het high concept dat zij samen met Brian K. Vaughan bedacht visualiseerde. Vaughan schreef ook series als Ex Machina, Runaways, en Pride of Baghdad, en was een van de hoofdschrijvers van de tv-serie LOST. Zijn scenario voor Y:The Last man is dan ook een schoolvoorbeeld van hoe men in Hollywood een script dient te schrijven. (Niet zo gek dus dat er plannen zijn voor een verfilming.) Vaughan introduceert in het eerste hoofdstuk zorgvuldig alle belangrijke hoofdpersonages en geeft de nodige informatie alvorens de actie te laten losbarsten. Daarbij wordt de lezer geen detail te veel of te weinig geboden en worden de plotpunten op precies het juiste moment gepresenteerd. Vaughan schrijft dialogen die uit een filmscript gelicht lijken te zijn. Ze zijn herkenbaar, maar werken prima binnen dit verhaal. Het einde van de rock-‘n-roll
Vaughan lardeert de plot met onverwachte vondsten: zoals de scène waarin een groep vrouwen rondom het Washington Monument de verloren mannen herdenkt. Yorick ontmoet daar ene Rose die met spijt in haar stem beseft dat naast haar mannelijke vrienden ook The Rolling Stones niet meer leven. In één rampzalige dag verloor de wereld de grootste popartiesten. Fijn dat Vaughan de tijd neemt om op verschillende manieren te laten zien hoe de ontmande wereld eruitziet. Tegelijkertijd gebruikt hij dit rustige contemplatieve moment aan om een confrontatie tussen Yorick en een stel Amazones op te zetten. In de Nederlandse uitgave zijn de eerste vijf comics opgenomen. Verwacht dus een cliffhanger op de laatste bladzijde: zoals het televisieseries en goede comic-series betaamt blijft de lezer met een hongerig gevoel naar meer achter. Kortom: deze comic is vakwerk. Het eerste deel verscheen in oktober, het tweede zou februari 2010 in de winkels moeten liggen. Y: The last man #1 Ontmand – Brian K. Vaughan en Pia Guerra
De Vliegende Hollander, € 14,95
ISBN: 9789049500481
Deze recensie is ook gepubliceerd op het Zone 5300-stripblog.

In de Wolken met Wasco

Wednesday, November 18th, 2009

Stripmaker Wasco  een van de meest eigenzinnige stripmakers die Nederland rijk is. Vaste lezers van Zone 5300 zijn z’n werk al geregeld tegengekomen. Recent deed hij mee aan 24 Hour Comics Day, het evenement dat over de gehele wereld plaatsvond en waarin stripmakers binnen 24 uur worden geacht evenzoveel strippagina’s te tekenen, zonder dat ze van tevoren een verhaal hebben bedacht.

De kwaliteit van deze 24 Hour Comics verschilt nogal, maar die van Wasco – getiteld Wolken – valt in het bijzonder op door het surrealistische verhaal en de doordachte visualisatie. Hoewel hij bijna uitsluitend gebruikmaakt van een pagina-indeling van acht kaders met een identieke grootte, gebruikt Wasco de strippagina als organisch geheel om zijn verhaal te vertellen. Daarmee toont hij zich een meester van het medium. Het boekje telt overigens maar liefst 38 pagina’s, dus veel meer dan het vereiste aantal dat ooit is opgesteld door de bedenker van 24 Hour Comics: stripmaker en -theoreticus Scott McCloud.

Wolken is getekend in ballpoint en uitgegeven op het ouderwetse schriftformaat. Leuk aan de uitgave is dat schoonheidsfoutjes niet zijn weggewerkt: enkele inktvlekken zijn zichtbaar en omdat de originele kleur blauw is aangehouden komt de strip dicht in de buurt van de originele pagina’s. Met een oplage van 50 exemplaren heeft de liefhebber dus een zeldzaam boekwerkje in huis.
Overigens zal Wasco aanwezig zijn tijdens de Zone 5300 Wintersale.

Deze tekst verscheen ook op het stripblog van Zone 5300.

Lees ook:

Striprecensie: Ik ben God

Thursday, October 29th, 2009

Levensbeschouwelijk navelstaren op Viva-niveauIk ben God, luidt de wat pretentieuze titel van het nieuwe album van Gerrie Hondius. Toch moet deze titel net zo luchtig worden opgevat als het stripverhaal dat hij aanduidt, want Hondius bewerkte voorvallen uit haar eigen leven met een flinke dosis zelfspot en fantasie. Hondius toont haar vakmanschap in de visualisatie van Ik ben God. Met een aanstekelijke, zwierige lijn toont de stripmaakster alleen de noodzakelijke elementen om haar verhaal te vertellen. Dit biedt de lezer de ruimte om zelf details in te vullen. De plaatjes zijn kaderloos en lopen in elkaar over, waardoor de strip letterlijk Hondius’ gedachtestroom visualiseert. Het is dan ook haar levensfilosofie en zoektocht naar zingeving die centraal staan. We zien Hondius herhaaldelijk in bed haar leven overpeinzen en dialogen met God of met een van haar onenightstands voeren. De herhaling van locaties en handelingen maakt dat het verhaal wat meer een eenheid wordt, hoewel dit vertelmiddel niet volledig het episodische karakter van de strip kan maskeren.Het levensbeschouwelijk navelstaren van Hondius mag dan vermakelijk zijn, het ontstijgt het niveau van bladen als de Viva of de Happinez niet. Om Ik ben God dan ook het predikaat ‘literaire strip’ mee te geven, wat uitgeverij Contact zonder schroom op de achterflap doet, gaat wat ver. Waarschijnlijk kan Hondius daar zelf ook hartelijk om lachen. Gerrie Hondius – Ik ben God
(Contact, € 17,95)
Deze recensie is eerder gepubliceerd in Zone 5300#87.

Eppo, Eisner en Pulpman: Passie voor de strip in al zijn facetten

Wednesday, September 2nd, 2009

Het Nederlandse striplandschap is recent verrijkt met drie stripbladen. Voor de liefhebber van literaire stripverhalen is er Eisner; voor prikkelende pulpstrips is er Pulpman, terwijl Eppo vooral de nostalgische lezer bedient.

Het stripblad Eisner is gewijd aan de grafische roman en bevat korte beeldverhalen met literaire ambities. Vorig jaar november verscheen het eerste nummer in 2500 exemplaren bij uitgeverij Podium. Het stripblad is vernoemd naar de Amerikaanse stripmaker Will Eisner die naar verluidt de term graphic novel introduceerde om uitgevers te interesseren voor zijn strip A Contract with God (1978). Grafische roman klinkt in de oren van een literaire uitgever immers beter dan strip, een medium dat in eerste instantie geassocieerd wordt met leesvoer voor kinderen. De redactie van Eisner hoopt dit beeld te veranderen en literatuurminnende lezers kennis te laten maken met strips voor volwassenen. Hoofdredacteur Erik Noomen, die recent het stokje overnam van Ward Wijndelts: ‘Een vorm die gebruikt wordt om een Asterixverhaal te vertellen kan ook worden ingezet voor het vertellen van een verhaal over het Midden-Oostenconflict.’ Bij de selectie van de strips gaat de redactie vaak uit van de stripmaker, laat Noomen weten. ‘De tekenaar moet iets eigens hebben en het verhaal visuele zeggingskracht.’De Eisner-redactie heeft een eclectische en uiteenlopende smaak: in de twee nummers die er tot nu toe zijn uitgebracht staan onder meer een sfeervolle stripbewerking van het horrorverhaal ‘The outsider’ van H.P. Lovecraft door Erik Kriek, twee sleutelscènes uit de roman Het Diner van Herman Koch verstript door getalenteerde nieuwkomer Merel Barends, een bijdrage van Michiel van der Pol waarin hij vol zelfspot jeugdherinneringen over zijn seksuele voorlichting verhaalt en ook gerenommeerd werk van internationale stripmakers als Daniel Clowes die in ‘Art School Confidential’ met bijtende humor het kunstonderwijs portretteert. Door die diversiteit is Eisner een aardige staalkaart van wat het beeldverhaal te bieden heeft. De geselecteerde voorpublicaties die ook in het blad staan vormen echter zelden een afgerond verhaal, wat een onbevredigende leeservaring oplevert.In de toekomst hoopt Noomen enkele bekende namen uit de literaire wereld aan het blad te verbinden. Arnon Grunberg heeft toegezegd een stripscenario te schrijven op basis van een van zijn reisreportages en Robert Vuijsje, winnaar van de Gouden Uil voor zijn debuut Alleen maar nette mensen, zal ook een script schrijven.

Pulpman: Pulp voor de liefhebber
Waar Eisner drie keer per jaar staat voor de literaire en poëtische strip, vertegenwoordigt Pulpman iedere zes weken de andere kant van het spectrum: vermakelijke pulpverhalen waarin op expliciete wijze en zonder schroom de duistere kanten, driften en zwakheden van de mens worden belicht. Vaak met de titelfiguur van het blad, een naargeestig mannetje met een clownesk gelaat, in de hoofdrol. Net als bij de andere stripbladen beoogt de redactie als keurmerk te fungeren. ‘Pulpman zoekt naar de parels van de pulp. […] Uitgangspunt voor een goede strip blijft vakmanschap: een tekenaar die kan tekenen, met swung en dynamiek, een verhaal vertellen, karakters neerzetten en een sterke lay-out,’ aldus het voorwoord in de eerste Pulpman die februari dit jaar in een bescheiden oplage van 800 stuks van de drukpers rolde. Vervang het woord ‘pulp’ voor ‘beeldverhaal’ en dezelfde introductie had ook in Eisner kunnen staan.Stripmaker, schilder en illustrator Fred de Heij en uitgever Ger van Wulften initieerden Pulpman uit eigen behoefte. De Heij: ‘Ik wilde altijd al een striptijdschrift hebben en ben uitgegaan van wat ik het allerleukste vind.’ Omdat De Heij het merendeel van de strips en achtergrondartikelen verzorgt drukt hij een duidelijke stempel op het blad. Zijn verhalen zijn over the top, eindigen geregeld met een onverwachte wending en zijn dikwijls pornografisch.

Net als Eisner bevat Pulpman originele verhalen en voorproefjes van nog uit te komen strips. Mede dankzij de korte introductie van de gasttekenaars geeft Pulpman een aardig, zij het wat willekeurig beeld van het begrip pulpstrip. De Heij en gastschrijvers als Peter Breedveld, striprecensent van Vrij Nederland, lichtten in de artikelen uiteenlopende onderwerpen uit. Hoewel De Heij zijn persoonlijke visie geeft komt de nieuwsgierige lezer veel te weten over bijvoorbeeld de geschiedenis van pulpstrips en de invloed van Joodse makers op de Amerikaanse stripindustrie. De toon van Pulpman is die van een dikke knipoog en een tikkeltje tegendraads. Het zal geen toeval zijn dat in het eerste nummer de Eisner wordt gerecenseerd. Zelfs over een op het eerste gezicht onschuldige en oubollige jongensstrip als Bob Evers (uit de Eppo) weet De Heij te vertellen dat deze zijn oorsprong heeft in een strip die in het nationaal-socialistische blad Jeugd werd gepubliceerd.

Gezien de toon en de verheerlijking van pulp ligt het voor de hand om het blad te zien als tegengeluid op de graphic novel. Toch stellen de makers duidelijk dat ze nergens tegenaan willen schoppen. Het plezier en de passie die de bladmakers voor pulpstrips hebben straalt Pulpman zeker uit en werkt aanstekelijk.Eppo, een nostalgisch stripblad
In het midden tussen Eisner en Pulpman bevindt zich de Eppo. Dit tweewekelijkse stripblad bevat voorpublicaties van mainstream strips, het soort waar je het eerste aan denkt als je het woord strip hoort: Storm, Agent 327, Franka en Dirkjan. Het gros bestaat uit onschuldige avonturen- en humorstrips die, net als sommige verhalen in Pulpman, in afleveringen verschijnen. In tegenstelling tot Eisner dient van deze bladen dus ieder nummer aangeschaft te worden om niets van de vervolgverhalen te missen.

Voorpublicaties zijn misschien vervelend voor de ongeduldige lezer, volgens Eppo-hoofdredacteur en initiatiefnemer Rob van Bavel zijn ze een belangrijke inkomstenbron voor stripmakers omdat de albumverkoop te laag is om van te leven. Daarbij wordt het ouderwetse Eppo-gevoel volgens sommigen juist gekenmerkt door het in spanning afwachten tot het nieuwe nummer weer op de deurmat valt.

Eppo werd in januari dit jaar nieuw leven in geblazen. Het stripblad verscheen oorspronkelijk van 1975 tot halverwege de jaren tachtig. Na talloze naamswijzigingen en samenstellingen verdween het in 1999 van de markt. De nieuwe Eppo lijkt voort te komen uit een drang naar nostalgie, want het merendeel van de strips stond ook in de eerste incarnatie van het blad. Volgens Van Bavel is Eppo ook niet voor kinderen bedoeld, maar voor de dertigplussers die het vroeger ook lazen: ‘Jongeren vanaf zes jaar lezen geen strips meer, die gaan liever gamen of online. Dat is ook de reden dat de oude Eppo uiteindelijk is verdwenen: ze hielden vast aan de jeugd als doelgroep.’ Toch hoopt hij dat de Eppo van papa ook wordt ingekeken door nieuwsgierige lezertjes.

Hoewel de interviews in het blad interessant leesvoer zijn en de achtergrond en methodiek van de stripmakers inzichtelijk maken, wekt de toon van de redactionele teksten niet de indruk dat volwassenen worden aangesproken. Desondanks lijkt Eppo een succes: met een oplage van 25.000 exemplaren is dit het grootste stripblad van Nederland.

Dit artikel verscheen eerder in VPRO Gids #34 onder de titel Nieuwe Avonturen.

Lees ook:

Overpeinzingen bij Amazing Spiderman #600

Wednesday, August 5th, 2009

Komt er ooit een dag dat ik genoeg krijg van Spiderman? Ik denk het niet, want het lezen van Spiderman comics houdt me jong. Daarom kocht ik laatst Amazing Spiderman #600.Tegenwoordig lees ik als het om Marvel Comics gaat vooral trade paperbacks. Op die manier kun je een verhaal dat over meerdere comics speelt in een keer uitlezen. Dat levert meestal een fijne leeservaring op. Nog een pluspunt van trades is het feit dat er tussen de strippagina’s geen reclame zit. Het enige nadeel is dat je een paar maanden achterloopt op de losse nummers, maar echt een groot probleem is dat niet. Behalve dan met speciale uitgaven als Amazing Spiderman #600.Web of Spiderman
In de maanden voordat deze mijlpaal op de markt kwam, lekte er hier en daar al wat ‘nieuwtjes’ uit op het web. Over het feit dat John Romita jr. het hoofdverhaal zou tekenen dat geschreven werd door Dan Slott en dat de comic allerlei extra’s zou bevatten, zoals een reeks korte verhalen van de meest prominente schrijvers van dit moment en oudgediende Stan Lee. Die extra’s boeien mij nooit zo erg, maar alles wat door Romita jr. gevisualiseerd is vind ik de moeite van het lezen waard. Toen hij het potlood voor Spiderman weer oppakte in 2001 begon ik weer met het lezen van Spidey’s avonturen. Sindsdien ben ik niet meer gestopt.Sinds Spiderman in 1962 het licht zag zijn er een paar goede tekenaars geweest die een duidelijke stempel op het personage hebben gedrukt. Natuurlijk Steve Ditko, de eerste tekenaar die grotendeels bepaalde hoe het webhoofd eruit kwam te zien. Daarna John Romita Sr. die Spiderman begon te tekenen toen Ditko was opgestapt uit onenigheid met bedenker Stan Lee. Gil Kane, Ron Frenz en Todd McFarlane – allemaal jonge honden die indertijd met Spidey aan de haal gingen en een onvergetelijke indruk maakten. En John Romita jr – de stripmaker waar ik al eerder stukken over schreef en die al meerdere malen hele periodes de strip tekende.Het is maar een nummer
En nu tekende Romita dus Amazing Spiderman numero 600. Zeshonderd Spiderman-verhalen. Da’s heel wat. Sterker nog: het merendeel heb ik gelezen. Vanaf Amazing Fantasy #15 waarin het webhoofd zijn debuut maakte, tot en met nou ja, nummer zeshonderd dus. En dan laat ik voor het gemak alle bijseries als Peter Parker, Web of Spiderman en Ultimate Spiderman buiten beschouwing, waarvan ik ook het merendeel heb gelezen. (Ik heb nooit ontkend dat ik een Spider-Nerd ben.)
Overigens speelde Marvel de afgelopen twee jaar wel een beetje vals wat de nummering betreft. Amazing Spider-Man was eerst een maandelijkse comic, maar sinds de grote omwenteling Brand New Day, komt de strip maar liefst drie keer per maand uit. Dat betekent dus dat ze sneller de mijlpaal hebben bereikt dan anders het geval zou zijn. Maar een kniesoor die daar op let.Mede door de enthousiaste video die schrijver Dan Slott maakte over ASM 600 kon ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en kocht ik afgelopen vrijdag het betreffende nummer in de stripspeciaalzaak. Op een terrasje sloeg ik de comic open. Wat een heerlijke leeservaring stond mij te wachten. Slott schreef een vermakelijk verhaal met voldoende actie en knipoogjes naar het verleden van de muurkruiper. Wanneer Doc Ock hoort dat hij nog maar kort te leven heeft door extensieve hersenbeschadiging die hij in al zijn gevechten met superhelden heeft opgelopen, besluit hij nog een laatste grote daad te stellen. Hij wil New York op zijn eigen manier automatiseren. Natuurlijk mislukt dit experiment en is er een handje vol Marvel-helden nodig om de stad te redden. Ondertussen staat tante May op het punt om met de vader van JJJ Jameson te trouwen.Sterfelijkheid
De superschurk die gaat sterven en nog één grote daad wil stellen is niets nieuws. In dat opzicht blinkt Slott niet uit in originaliteit. Bovendien gaan belangrijke figuren zelden dood in Marvel Comics, dus ongetwijfeld geneest Doc Ock binnenkort van zijn aandoeningen. Kwam de Green Goblin jaren na zijn dood niet opeens terug om zijn positie als grootste duivel in het Marvel Universum op zich te nemen?
Toch is het idee van sterfelijkheid interessant, vooral omdat Ocks aandoeningen zijn aangericht door alle gevechten die hij in het verleden heeft gevoerd met superhelden en superschurken. Een pak slaag van Captain America of Spiderman gaat je niet in de koude kleren zitten, blijkt maar weer. Wederom blijkt dat de acties in het Marvel Universum niet zonder consequenties zijn en dat maakt dit stripuniversum – tot op zekere hoogte – reëel. Dit gegeven zet meteen de knokpartij tussen de vaste criminele klanten van The Bar With No Name en Spidey & Daredevil in een ander licht. Wat zullen de schurken immers voor permanente schade oplopen van dit gevecht? Slott gaat overigens verder niet in op de repercussies van de matpartij die verder enkele vermakelijke dialogen tussen het webhoofd en de blinde advocaat met de hoorntjes bevat.Nog een minpuntje aan Slotts vertelling: Peter Parker merkt voor de zoveelste keer op dat webvloeistof duur is. Dit geintje hebben we sinds Brand New Day nu wel genoeg gehoord. Dat hij in dit verhaal zelfs om geld te besparen de bus neemt in plaats van supersnel door de stad te slingeren en daardoor te laat komt op het oefendiner van Mays trouwerij, is helemaal ver gezocht. Ondanks dit soort ongeloofwaardigheden en tekens van creatieve armoede zit het verhaal geramd in elkaar. De humor is scherp. Vooral wanneer Spidey en Human Torch samen op pad gaan, zijn de wederzijdse beledigingen niet van de lucht. Als vanouds dus. Sowieso geven de vele gastoptredens van andere helden van het Marvel Universum de comic het ouderwetse gevoel van een annual. En was nostalgie niet een van de redenen om deze comic op te pikken? Ik voelde me weer een tiener toen ik vrijdagmiddag in de zon in één ruk de 104 pagina’s tot me nam en ondertussen mijn cappuccino koud liet worden.
Psychiater
De rest van de comic is opgevuld met enkele korte verhalen en humoristische nepcovers. Van de korte verhalen is die van Stan Lee het meest opvallend. Hij laat Spidey naar de psychiater gaan omdat hij in een soort identiteitscrisis verkeert. Spiderman heeft in de bijna vijftig jaar dat hij rondslingert immers meerdere tijdelijke mutaties ondergaan. De conclusie van het verhaal, dat de psychiater zelf gek wordt van Spidey’s relaas is minder origineel dan we van Lee mogen verwachten, maar vooruit, de goede man wordt ook een dagje ouder. ‘My brother’s son’ is een ontroerend verhaal van Mark Waid waarin de relatie tussen oom Ben en Peter wordt uitgediept. De rest van de vulverhalen zijn niet echt boeiend en hadden net zo goed achterwege gelaten kunnen worden.Verse oude koek
Ondanks het plezier dat ik aan het hoofdverhaal van deze comic beleefde, maakt Amazing Spiderman #600 ook pijnlijk duidelijk dat alles wat erover Peter Parker te vertellen valt, al een keer of tien is verteld. De herkenbaarheid maakt dat het lezen van een Spidey-comic vertrouwde en nostalgische gevoelens bij me losmaakt. Aan de andere kant zijn het juist de herkenbaarheid en het gebrek aan vernieuwing die ervoor zorgen dat de rek een beetje uit dit spinnenweb is. Je kunt tante May laten trouwen met de vader van Jonah Jameson (ze trouwde jaren geleden overigens bijna met Doc Ock himself!), je kunt Peter koppelen aan een aantrekkelijke en bijdehandte huisgenote (niets soapachtig is Spiderman immers vreemd), je kunt het uiterlijk van Doctor Octopus drastisch aanpassen en je kunt Mary Jane aan het einde van de comic haar herintrede laten doen (waarmee de sexy huisgenote bij voorbaat geen schijn van kans heeft om Peter te veroveren). Het voelt allemaal bekend en, tja, een beetje sleets. Daar kan zelfs Romita jr., die het voor elkaar kreeg in iets meer dan een maand zestig prachtige pagina’s te tekenen, niets aan afdoen.Misschien word ik toch een dagje ouder. Toch twijfel ik er niet aan dat Spiderman langer op deze aarde zal rondkruipen dan ondergetekende (die ongetwijfeld gewoon stug blijft doorlezen. Kennelijk weegt de hang naar nostalgie zwaarder dan de wens naar originaliteit.) Daarom proficiat Webhoofd: op naar Amazing Spiderman 1200!
Lees ook:

Striprecensie Vluchtweg naar de zon

Sunday, August 2nd, 2009

Dik als een telefoonboek is Vluchtweg naar de zon van de Franse stripmaker Baru (pseudoniem van Hervé Barulea). Voordat je het weet heb je echter de laatste bladzijde omgeslagen, want deze roadmovie raast door je hoofd met 150 kilometer per uur. De plot leest als een achtervolgingsfilm. Karim Kemal is tweeëntwintig en berucht. Hij zou dealen, kapitalen verdienen met kaartspelen en met de rijkste vrouwen het bed delen voor geld. Als hij met een van zijn maîtresses betrapt wordt, krijgt hij een gewelddadige en wraaklustige echtgenoot achter zich aan. Samen met nieuwbakken vriend Alexandre, een tiener van zeventien die tegen Karim opkijkt omdat hij in alles zijn tegenpool is, slaat hij op de vlucht om zich het vege lijf te redden. Vluchtweg naar de zon werd oorspronkelijk gemaakt voor de Japanse stripmarkt en werd in 1995 al uitgegeven door uitgeverij Kodansha. Voor de Europese markt werd de strip herbewerkt en in hetzelfde jaar uitgegeven. De grote vraag is waarom de strip nu pas in het Nederlands verschijnt, want in 1996 werd Vluchtweg naar de zon al bekroond als Beste Boek op het stripfestival van Angoulême. Anders dan manga
Baru vertelt zijn verhaal in prachtige zwart-witplaten, getekend in een snelle en energieke inktlijn. Zoals het manga betaamt gebruikt Baru overdreven expressies om zijn personages te laten acteren. Mangahaters kunnen de strip met een gerust hart openslaan, want verder staat het karakterdesign ver af van de clichématige vormgeving die doorgaans met de Japanse strip geassocieerd wordt. Baru staat vooral bekend om zijn maatschappij kritische verhalen. Zijn semi-autobiografische debuutalbum Quéqette Blues schetst hij het alledaagse leven van de Franse arbeidersklasse. In Vluchtweg naar de zon komen Alexandre en Karim ook uit een arbeiderswijk. In de 400plus pagina’s zien we vooral hoe Alexandre, zoon van een Italiaanse staalarbeider, zich ontwikkelt en onder invloed van Karim volwassener wordt. De wraaklustige echtgenoot die Karim wil vermoorden is een rechts-extremist verbonden aan de politieke partij ‘Élan National Francais’: een eendimensionale racist met psychopathische trekjes die al zijn haat jegens buitenlanders wil botvieren op Karim, die van Algerijnse afkomst is. Het sociaal engagement van de stripmaker is op de achtergrond lichtjes aanwezig en zit met name in bovengenoemde details. Vluchtweg naar de zon moet toch vooral gezien worden als een vakkundig gevisualiseerd en vermakelijk actieverhaal.Zie hier een preview van de strip.Vluchtweg naar de zon – Baru
Sherpa, €29.95
ISBN 978-90-8988-006-2
Deze recensie staat ook op het stripblog van Zone 5300.

Striprecensie: Bob Dylan Revisited

Sunday, June 28th, 2009

Bob Dylan Revisited bevat dertien verstripte interpretaties van bekende songs van de Amerikaanse singer-songwriter. Striptekenaars als Lorenzo Mattotti, Dave McKean, Zep en Francois Avril tekenden hun eigen versie van een zelfgekozen klassieker. Het resultaat is een interessant album met hoogwaardig grafisch werk, mooi uitgegeven door Silvester strips. Alleen jammer van die vertalingen. Het is interessant om te zien hoe de liedjes van Dylan de creatieve geest van de stripmakers prikkelden tot deze uiteenlopende bloemlezing. Sommige stripmakers in Bob Dylan Revisited: 13 songteksten in beeld gebracht blijven dicht bij de brontekst, anderen gebruiken het oorspronkelijke nummer slechts als springplank voor een visuele krachttoer. Toch passen mijns inziens de bijdragen die dicht bij de brontekst blijven en een verhaal vertellen het beste bij het oeuvre van Dylan. De Amerikaanse troubadour, wiens carrière begon met het zingen van folkmuziek in de vroege jaren zestig, staat immers vooral bekend als verhalenverteller. Een mooi voorbeeld hiervan is de protestsong ‘Hurricane’, waarin Dylan verhaalt hoe de zwarte boxer Rubin Carter veroordeeld werd voor een driedubbele moord die hij schijnbaar niet beging. Gradimir Smudja schilderde het stripverhaal in sepiagetinte platen en blijft dicht bij Dylans verhaal. De strip is daarmee een van de meest rechttoe rechtaan interpretaties in het album en werkt daardoor heel goed als visualisatie van Dylans nummer. Dave McKean gooit het over een andere boeg. Hij gebruikt figuren en elementen uit scènes die voorkomen in de song ‘Desolation Road’, maar heeft er vooral zijn eigen ding van gemaakt en creëerde een non-narratief relaas met als rode draad de frase “I believe you belong to me”. Wie McKeans strip leest en tegelijkertijd Dylans nummer draait merkt dat de duistere en soms spookachtige beelden van McKean een heel andere sfeer oproepen dan het akoestische nummer waarin vooral gitaar en mondharmonica zijn te horen.Dylans stem
In Bob Dylan Revisited wordt iedere bijdrage ingeleid met een voorblad met daarop een geïllustreerd portret van Dylan, de songtekst en Nederlandse vertaling. Handig wellicht voor mensen die de Engelse taal niet goed beheersen, hoewel ik over het algemeen geen fan ben van het vertalen van songteksten en in het geval van Dylans poëzie acht ik een vertaling zelfs onwenselijk. Een deel van de magie van Dylans teksten zit in het feit dat de betekenis vaak niet eenduidig is. Die ambiguïteit biedt ruimte voor verschillende interpretaties. Bij een vertaling zit je aan de uitleg van de vertaler vast. In dit geval is dat de visie van Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet. Hun vertalingen, die eerder in twee dikke boeken bij Nijgh en Van Ditmar verschenen, zijn voor dit album gebruikt. Dylan Revisited was oorspronkelijk een Franse uitgave, met Franstalige songteksten in de stripkaders die nu in het Nederlands staan geschreven. De strips zijn op zichzelf al een interpretatie van de songs, en mede door de vertaalde verliezen de adaptaties in het album al snel de connectie met de nummers van Dylan. Zijn stem, het ritme en de sound van de songs gaan als het ware verloren en dat is erg jammer. Om de link met Dylan enigszins te ervaren zit er voor de fan niets anders op dan om tijdens het lezen de songs te luisteren. Ik ben me er terdege van bewust dat ik het album door de ogen van een Dylan-purist bezie. Hoewel de strips ook los van de brontekst zijn te beoordelen, is het de vraag of dit wenselijk is aangezien het stripalbum zijn bestaansrecht ontleent aan het feit dat stripmakers hun visie geven op de wereldberoemde composities. Daarbij zullen niet-Dylan fans weinig boodschap aan deze uitgave hebben. Overigens is Bob Dylan Revisited een tweede uitgave in een serie van vier over popmuzikanten die Silvester op de markt brengt. Eerder verscheen een biografie over Johnny Cash die binnenkort op dit blog onder de loep wordt genomen.Bob Dylan Revisited.
Silvester, €24.95
ISBN: 978-90-5885-388-2
Deze recensie is ook gepubliceerd op het stripblog van Zone 5300.Lees ook:

Striprecensie Wolverine: Enemy of the State

Wednesday, June 10th, 2009

Tijdens een van mijn boekspeurtochten, stuitte ik op een hardcover exemplaar van Wolverine: Enemy of the state.
Een bundeling van het twaalfdelige verhaal dat oorspronkelijk gepubliceerd werd in Wolverine nummers 20 t/m 31. Schrijver ervan is Mark Millar die zijn schrijfpen sinds 2001 vooral inzet voor de Ultimate titels van Marvel. Hij was echter niet de reden dat ik bereid was de luttele 15 euro neer te tellen. Het ging mij puur om het feit dat John Romita jr. Wolverine gestalte gaf.Vaste lezers van dit blog zullen weten dat ik groot ben van zijn tekenpen. Visueel stelt Enemy of the State dan ook niet teleur. In tegendeel, op glad papier komen de prachtige tekeningen, geïnkt door Klaus Janson, heel mooi tot hun recht.Het verhaal is echter aan de dunne kant. Wolverine, de mutant met de scherpe klauwen die zelfhelende gaven heeft, wordt gehersenpoeld door de Hand – een geheime organisatie van Ninja’s die weinig goeds met de wereld voor heeft. Ze werken ook nog eens samen het Hydra die eigenlijk hetzelfde doel nastreven. (Jammer dat geheime eeuwigbestaande organisaties zich nooit eens inzetten voor het milieu of het redden van zeehondjes in de Waddenzee.)Wolverine hakt zich een weg door het Marvel universum en neemt het op tegen SHIELD en collega-superhelden. Iedereen die het loodje legt wordt een nieuwe slaaf van de Hand en Hydra. Totdat Wolverine gevangen wordt genomen en wraak neemt op wat de onverlaten hem hebben aangedaan. Wat we in principe te zien krijgen in die twaalf delen is Wolverine die aan het slicen en dicen is. Hij maakt in totaal een paar duizend slachtoffers.
Is dat boeiend? De tekeningen houden je aan het lezen. Romita sleept de lezer met zijn krachtige lijnen en meesterlijke kadrering door het verhaal heen. Hij weet als geen ander wanneer hij grote kaders moet inzetten om dramatische actie te verbeelden. Wie niet van zijn tekenstijl houdt, moet deze comic zeker laten liggen.
Het verhaal waarmee de bundel wordt afgesloten, Prisoner Number Zero, werd geschreven door Millar en getekend door Kaare Andrews. Deze episode lijkt niet in deze comic thuis te horen, want het heeft niets te maken met Enemy of the State. Wolverine drijft concentratiekampkommandanten tot waanzin doordat hij keer op keer terugkomt nadat ze hem hebben vermoord. Goed, dit verhaal bevat meer psychologie dan alle hoofdstukken van Enemy of the State bij elkaar, maar ook veel plotgaten. Ik snap niet waarom Wolverine niet gewoon iedereen in het concentratiekamp bevrijdt. Dat zou met zijn krachten geen probleem moeten zijn. Waarom een psychologisch spelletje spelen als er dagelijks vele mensen vermoord worden in de gaskamers? Logica is dus ver te zoeken in deze verhalen van Mark Millar.Lees ook:

Striprecensie: Zwart gat

Friday, May 29th, 2009

Eindelijk is Black Hole van Charles Burns in Nederlandse vertaling verschenen. Een prachtige grafische roman die tot na de laatste bladzijde blijft boeien. In Zwart gat raken in de jaren zeventig tieners besmet met een seksueel overdraagbare ziekte die lichamelijke afwijkingen veroorzaakt. De een wordt opgezadeld met een paar bulten, de ander is minder gelukkig en krijgt er gratis een ledemaat of orgaan bij. Bij Rob groeit bijvoorbeeld een tweede mond die praat als hij slaapt; Eliza heeft een staart boven haar kont en Chris heeft vergroeiingen in haar rug en verliest geregeld haar bovenste huidlaag. De meeste besmette tieners leven als verschoppelingen in het bos en proberen er het beste van te maken. Zwart gat is claustrofobisch en verontrustend, maar tegelijkertijd blijvend fascinerend. De toon is ernstig en gespeend van humor. Burns werkte een decennium aan het verhaal en publiceerde de twaalf afleveringen eerst afzonderlijk voordat in 2005 de graphic novel in zijn geheel werd uitgegeven. Black Hole bleef niet onopgemerkt, en won de Eisner Award, de Harvey Award en de Ignatz Award. Het is opmerkelijk dat deze strip pas na vier jaar eindelijk in het Nederlands is vertaald. Wellicht heeft dit te maken met de aankomende filmadaptatie. Naar verluidt zal regisseur David Fincher (Fight Club, Se7en) de verfilming voor zijn rekening nemen. Een prima keuze, al zou een regisseur als David Cronenberg, met zijn voorliefde voor vreemde lichaamsopeningen, ook zeker raad weten met het rijke materiaal van deze graphic novel.Puberteit als ziekte
Zwart gat is een complexe vertelling vol flashbacks en psychedelische dromen, waarin verschillende vertellers afwisselend aan het woord komen. Wat de belevenissen van al deze personages bindt is de vreemdsoortige ziekte die door wordt doorgegeven als de tieners onbeschermde seks met elkaar hebben. Toch moeten we Zwart gat niet zien als een pamflet tegen onbeschermde seks; Burns gebruikt de ziekte en de vervreemding die deze veroorzaakt tussen de slachtoffers en gezonde mensen als metafoor voor de puberteit. Een periode waarin het lichaam ook allerlei veranderingen ondergaat en waarin de adolescent zich vaak ook een buitenbeentje voelt. Burns heeft zelf ooit in een interview gezegd dat hij in Black Hole de pubertijd voorstelt als een ziekte. De één groeit erover heen, de ander blijft er eeuwig in hangen. Misschien dat de geïnfecteerde personages daarom nooit hulp zoeken voor hun lichamelijke afwijkingen. Ze vluchten liever weg van de maatschappij en het daarin heersende ouderlijk gezag. Zwart gat is een interessante studie naar de belevingswereld van adolescenten die, zoals het clichébeeld over deze periode dicteert, hun dagen vooral slijten met de speurtocht naar bier, seks en drugs.
Meesterverteller
Burns doet de naam beeldroman, of graphic novel zo je wil, eer aan. Hij gebruikt de middelen van het medium optimaal. Burns tekent in een semi-realistische stijl, wat het effect van de horrorelementen vergroot. Zijn strakke lijnvoering en zwart-wit verdeling zijn formidabel. De stripmaker gebruikt een scherp licht-donker contrast. In combinatie met het strakke lijnperspectief geeft dit de tekeningen veel diepte. Ondanks het feit dat hij jarenlang aan de strip werkte is zijn stijl consistent. Maar goed, de hand van Burns is eigenlijk altijd herkenbaar. Dat geldt zowel voor zijn illustratiewerk voor The New Yorker en The Believer, als voor zijn andere strips die onder andere in het experimentele striptijdschrift RAW verschenen. In Zwart gat zijn subjectieve kaders een belangrijk stijlmiddel. Om te vertellen wat er zich in het hoofd van de personages afspeelt gebruikt Burns innerlijke monologen, maar vooral ook point of view-shots. Hiermee maakte hij een gelaagde en bij vlagen intieme vertelling. Soms is Burns voyeuristisch, zoals bij de seksscène tussen Chris en Rob. We zien vanuit het perspectief van Chris hoe Rob haar penetreert. Het stijlmiddel van de subjectieve camera wordt heel effectief ingezet als Chris halverwege de daad tot haar schrik (en die van de lezer) de extra mond in de hals van Rob ontdekt. In dezelfde scène gebruikt Burns een visuele metafoor om het orgasme van Chris te verbeelden. Binnen een sequentie weet meesterverteller Burns dus verschillende genres te vermengen en diverse beeldmiddelen effectief in te zetten. Moeiteloos laat hij een romantisch samenzijn tussen twee nieuwe geliefden ontaarden in een horrormatig schrikmoment. De vervreemding die de jongen en het meisje na hun eerste vrijpartij ervaren is dan weer een exemplarisch voor de ongemakken die de eerste stappen op het seksuele vlak met zich meebrengen. Burns, Charles – Zwart gat
Oog & Blik/De Bezige Bij, € 29,90
ISBN: 9789054922025
Deze recensie staat ook op het stripblog van Zone 5300.

Striprecensie: Vlak voor het geluk

Saturday, May 16th, 2009

Etienne is een werkloze privé-detective die een grote geldprijs wint in de lotto. Voordat hij veilig het lot kan inleveren en zijn geld ontvangt is er echter nog van alles mogelijk. Auteur Jean-Claude Denis en stripmakerduo Philippe Dupuy en Charles Berberian laten zien dat de weg naar het geluk vol valkuilen kan zitten.Je lot kan immers gestolen worden wanneer je in de nacht verdwaald rondloopt. Een auto-ongeluk overkomt je ook zomaar. En wie kun je nog vertrouwen met zo’n waardevol stukje papier op zak? Is bijvoorbeeld de interesse die Etiennes ex-vriendin Laetitia toont oprecht of weet ze dat hij een rijk man is geworden? Jean-Claude Denis heeft zijn sporen als stripauteur ruimschoots verdiend in de Franse stripwereld en heeft met Vlak voor het geluk een luchtig verhaal met goed uitgewerkte personages geschreven. Dat deze levensecht lijken is vooral te danken aan de natuurgetrouwe dialogen die Denis ze laat uitspreken. Vaak zorgen de dialogen ook voor een fijne scèneovergang: de tekst van de nieuwe scène verwijst naar of geeft antwoord op de gestelde vraag in de voorgaande dialoog. Overigens is het vertellen over alledaagse taferelen wel aan Berberian en Dupuy toevertrouwd. Zij behoren immers tot de école Pigalle, een groep tekenaars die op lichtvoetige wijze kleinburgerlijke onderwerpen verstrippen. Het stripfiguurtje Meneer Johan van dit duo is daar een mooi voorbeeld van. Televisiesoap
De niet-geïnkte potloodtekeningen van Dupuy en Berberian zijn in een losse stijl getekend en de achtergronden zijn vaak een gedetailleerde, doch snelle schets. Deze semi-cartoonstijl is expressief, maar sprak mij minder aan – je houdt ervan of niet. Berberian en Dupuy hanteren een camerastijl die doet denken aan die van televisiesoaps. Zo zien we op blz. 50 een medium shot van Etienne en Patricia van de Franse kansspelen die hem psychologische bijstand komt verlenen. Patricia zit op een stoel en praat met de winnaar over zijn mogelijke geldbestedingen. De twee daaropvolgende plaatjes zit Patricia in dezelfde houding, haar hoofd en gezichtsuitdrukking zijn vrijwel identiek in alle drie de plaatjes. Het tweede plaatje is een close-up van haar gezicht, maar nog steeds gezien vanuit hetzelfde perspectief als het eerste en derde plaatje. Op de volgende pagina wordt het helemaal wat geforceerd als Etienne achter haar staat en Patricia nog steeds niet haar hoofd naar hem toedraait terwijl ze tegen hem praat. Dit maakt de figuurtjes nogal houterig en de strip op visueel vlak eentonig en beperkt. Jammer van deze saaie cameravoering, want er valt verder veel te genieten van de kleine beeldgrapjes die Berberian en Dupuy in hun tekeningen stoppen. Zoals het zoontje van de vrienden van Etienne die ‘s ochtends slaapdronken de kamer binnenloopt met de afstandsbediening van de televisie al in de aanslag, en de twee eendjes die vol verbazing zwemmen naar de auto die zojuist te water is geraakt. Voor de gevederde zwemmers letterlijk een vreemde eend in de bijt. Het zijn dit soort humoristische toevoegingen die het verhaal nog leuker maken en de wrange kantjes ervan ietwat maskeren.Dupuy-Berberian en Jean-C. Denis. Vlak voor het geluk.
Oog & Blik/De Bezige Bij

ISBN 9789054922483
Deze tekst staat ook op het kersverse stripblog van Zone5300.

Striprecensie: Argibald – Als vader Abraham van huis is

Wednesday, April 8th, 2009

Leuk is een eigenlijk maar een nutteloos woord: het is een te algemene karakterisering en daardoor nietszeggend. Nietszeggend is juist het tegenovergestelde van wat ik van Argibalds cartoonwerk vind. Toch zou ik zijn nieuwe bundel ‘erg leuk’ willen noemen. Ik zal uitleggen waarom.De cartoons van Willem Bentvelzen, alias Argibald, zijn moeilijk te missen, want hij tekent er lustig op los. Zijn werk verscheen Rails Magazine, Zone 5300 en websites als EeuwigWeekend.nl en Fok.nl. Het beste van zijn eerder verschenen werk staat in Als Vader Abraham van huis is… Het is zijn derde album – smallpress-boekjes niet meegerekend.K-smurfen
Laat je niet misleiden door de cover van de nieuwe bundel, want die is, met zijn afbeelding van neukende smurfen, nogal fantasieloos. Welke cartoonist heeft zich immers nog niet vergrepen aan een smurfengrap? Ook de titel van Argibalds album Als vader Abraham van huis is… is minder sterk dan bijvoorbeeld de titel van zijn smallpress-boekje De eenzaamheid van een drinkontbijt. Die titel vind ik treffende poëzie: één zin die een krachtig beeld oproept. Net zoals een cartoon uit één krachtig beeld moet bestaan om effect te hebben. Genoeg over de cover en de titel van de nieuwe bundel, want ook dit boek mogen wij niet slechts op zijn voorkant beoordelen. Binnenin zal de liefhebber van absurde en ironische humor zich immers prima vermaken met de bonte verzameling mistroostige figuren die Argibald aan de wereld presenteert.Argibald maakt zowel sterke visuele grappen – zoals die over de astronaut die tevergeefs zichzelf ophangt terwijl hij door de ruimte zweeft – als woordgrappen waarin een ironische draai wordt gegeven aan de betekenis van standaarduitdrukkingen. Dat dit in de praktijk leuker is dan ik het hier beschrijf, bewijst wat mij betreft deze cartoon: Argibald varieert op terugkerende thema’s als pedofilie, de droevige kant van het menselijke seksleven en andersoortige intermenselijke relaties, nare artsen, ziektebeelden, spreekkoren, zelfmoord, dierenseks en discriminatie. Geen enkel onderwerp is heilig. Gelukkig maar, want vooral politiekcorrecte gevoeligheden moeten met snedige grappen bestreden worden. Dit is wat mij betreft de taak van iedere goede cartoonist. Argibald voert deze taak vakkundig uit, net als collega’s als Gummbah en Kamagurka waarmee hij geregeld vergeleken wordt.Heerlijke dikke lijnen
Wat betreft zijn absurde gevoel voor humor tapt Argibald zijn inspiratie wellicht uit hetzelfde vaatje, maar hij onderscheidt zich duidelijk door zijn tekenstijl. Argibald tekent zijn toch wat lelijke personages bijkans willekeurig met afwisselend dikaangezette en subtielere lijnen. Deze lijnvoering maakt zijn cartoons grafisch interessant en geven het plaatje net dát beetje extra. Na het lezen van de grap blijft het oog nog even hangen om de illustratie te bestuderen.En dat maakt ze extra leuk!Argibald. Als vader Abraham van huis is..
Uitgeverij Xtra ISBN 978-90-77766-78-1