Posts Tagged ‘Marten Toonderprijs’

Jan Kruis (1933-2017)

Friday, January 20th, 2017

Stripmaker, illustrator en schilder Jan Kruis (Rotterdam, 1933) is 19 januari overleden in zijn woonplaats Mantinge in Drenthe. Hij was al enige tijd ziek. Kruis is 83 jaar geworden.

Jan Kruis met Jean-Marc van Tol.

Jan Kruis met Jean-Marc van Tol.

We kennen hem natuurlijk als maker en geestelijk vader van de strip Jan, Jans en de Kinderen. Ik denk dat er weinig Nederlanders zijn die deze familiestrip nog nooit hebben gelezen. Hele generaties groeiden op met de avonturen van de familie Tromp. Het is dan ook een van de beste Nederlandse strips.

jan_kruis_katerMet Jan, Jans en de Kinderen heeft Kruis duidelijk zijn stempel gedrukt op de Nederlandse strip en onsterfelijke personages geschapen. Ook wist hij altijd zijn vinger op de tijdsgeest te leggen. Kruis baseerde de stripfiguren op zijn eigen gezin en liet zich voor de verhalen vaak door zijn gezin inspireren.

Van 1970 tot en met 1998 maakte Kruis Jan, Jans en de Kinderen voor Libelle. Daarna gaf hij het tekenstokje over aan Studio Jan Kruis en sindsdien worden de afleveringen van deze strip dus door anderen gemaakt.

In 2007 verscheen een stripbewerking door Kruis van Multatuli’s Woutertje Pieterse. Ook maakte hij nog gelegenheidsalbums voor de Leprastichting. Kruis maakte ook schilderijen. Op de comiclopedia van Lambiek staat een uitgebreid cv van Kruis.

Jan Kruis te midden van zijn creaties.

Jan Kruis te midden van zijn creaties.

In 2010 kreeg Kruis de Marten Toonderprijs voor zijn gehele oeuvre. Ik interviewde hem vlak voor de ceremonie, de enige keer dat ik hem professioneel sprak.

Ik neem aan dat jullie allemaal vroeger de strips van Jan lazen. Mocht je daar nog een leuke anecdote of herinnering aan hebben, schroom niet om deze in het commentformulier te delen. Hallie Lama deelde dit mooie eerbetoon op Twitter vandaag:

hallie lama jan kruisFokke & Sukke zijn ook verdrietig:

fokke en sukke jan kruisRobert van der Kroft haalde deze illustratie uit zijn archief: Catootje en Jeroen, als Sjors en Sjimmie.

jan jans sjors sjimmie

Stripplaatjes onder de loep: Een grappig familieportret

Monday, July 13th, 2015

Jan, Jans en de Kinderen is de Nederlandse familiestrip bij uitstek en verschijnt al sinds 1970 in het vrouwenblad Libelle. Stripmaker Jan Kruis (Rotterdam, 1933) baseerde de stripfiguren op zijn eigen gezin en liet zich voor de verhalen vaak door zijn gezin inspireren. Tot op zekere hoogte kun je de verhalen over de familie Tromp dus als een autobiografisch familieportret beschouwen.

De hoofdrolspelers zijn vader Jan Tromp, zijn vrouw Jans, dochters Karlijn en Catootje, opa, de vader van Jan, en Jeroen, het vriendje van Catootje. Later zou het nakomertje Gert zijn opwachting maken. Een interessante rol is in de strip weggelegd voor de huisdieren van het gezin Tromp: de grote rode je-weet-wel-kater, Loedertje de Siamese kat en de teckel Lotje. De dieren geven vaak komisch commentaar op de gebeurtenissen.

jan_kruis_katerJe-weet-wel-kater
Mijn favoriet is altijd de Rode Kater geweest die soms in soloafleveringen lekker zit te filosoferen. Die strips ontstonden vaak als de stripmaker tijdnood had, want deze kon hij lekker snel tekenen. In bovenstaand fragment speelt de Rode Kater ook een belangrijke rol, al is de scène niet afkomstig uit een van de soloafleveringen. Net als zijn soortgenoten heeft de kater soms de kolder in zijn kop en springt hij plotseling van de bank om als een gek door de woonkamer te rennen en via de gordijnen en de boekenkast weer op de bank tot rust te komen. Ondertussen schrikken de gezinsleden zich natuurlijk rot. Heel herkenbaar: mijn kat had daar vroeger ook vaak last van.

Herkenbaarheid is een belangrijke factor voor het succes van deze familiestrip. Kruis speelde ook vaak in op maatschappelijke verschijnselen als BOM-vrouwen en trends als microbiologisch voedsel.

Bijrol
cover_jan_jansKruis duikt zelf ook op in zijn strip. Meestal als figurant, maar in een aflevering uit het tweede album heeft hij een sprekende rol, namelijk als zichzelf. We treffen de stripmaker aan als hij door een stel bewakers uit het pand van de rijksbelastingen wordt geduwd. Boos wil hij een steen naar binnengooien, maar wordt door Jan en Jans tegengehouden. Dan legt Kruis uit waarom hij zo boos is:
‘Weet u, ik ben maar een eenvoudig tekenaar. Ik teken plaatjes in weekbladen en zo. Geen onaardig vak, al zeg ik het zelf. Alleen ben ik zo onnozel geweest om te denken dat ik alles wat ik met deze handjes heb verdiend óók weer met deze handjes mocht uitgeven. Ach mensen, wat een vergissing! Net toen ik geen cent meer had, kwam de belasting. Alles.. ALLES heb ik moeten verkopen om hun mateloze hebzucht te kunnen bevredigen…’

En nu moet Jan ook zijn Marietje verkopen. De personages denken dat hij hier een meisje mee bedoelt of een dier, en beloven voor haar te zorgen. Maar in het laatste plaatje op de pagina blijkt dit de naam te zijn van zijn rode MG uit 1950. De familie Tromp koopt de auto over van de tekenaar. ‘Omdat het geld toch allemaal naar de belasting moest, wilde de verdrietige tekenaar er niet al te veel voor hebben,’ schrijft Kruis. Het is een leuke scène die menig belastingbetaler bekend zal voorkomen. Soms lijkt het alsof je alleen maar werkt om de staatskas te spekken. In het televisieprogramma Beeldverhaal vertelt Kruis dat deze strip inderdaad gebaseerd is op het moment dat hij opeens veel belasting moest betalen. Hij bracht Marietje daarom tijdelijk onder bij een vriend, want anders was hij haar kwijt geweest.

Jan_Kruis_autoWeerzien
In 1999 gaf Kruis het tekenstokje over aan Studio Jan Kruis en sindsdien worden de afleveringen van Jan, Jans en de Kinderen dus door anderen gemaakt. In 2010 sprak ik de stripmaker vlak voordat hij de allereerste Marten Toonderprijs kreeg uitgereikt. Ik vroeg hem of hij zijn strip niet miste en of hij tevreden was over wat de Studio met zijn geesteskinderen gedaan heeft: ‘Ik zeg altijd dat ik er afscheid van genomen heb, ze zijn als het ware gemigreerd en met de Marten Toonderprijs stonden ze na ruim tien jaar weer bij me op stoep. Na zo’n tijd verandert iedereen een beetje en zij ook. Toch was het een plezierig weerzien.’

Geschreven voor en gepubliceerd in Eppo (2015).

Crisis nekt Marten Toonderprijs

Tuesday, July 23rd, 2013
Gert Jan Pos geeft Jan Kruis de allereerste Marten Toonderprijs.

Gert Jan Pos geeft Jan Kruis de allereerste Marten Toonderprijs.

De Marten Toonderprijs, de oeuvre prijs die Nederlandse stripmakers moet eren, is na drie uitreikingen alweer verleden tijd. Dat meldt Stripschrift in het aankomende nummer:

Volgens het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen hebben de betrokken cultuurfondsen hun taken voor de nieuwe beleidsperiode moeten aanpassen. Door de bezuinigingen moest bovendien het aantal prijzen worden teruggebracht. De Marten Toonderprijs is hiervan de dupe geworden.

De Marten Toonderprijs werd in het leven geroepen na stevig lobbywerk van een aantal mensen uit de stripwereld, waaronder de tekenaars Jean- Marc van Tol (Fokke & Sukke) en Hanco Kolk (Meccano), bij toenmalig minister van OC&W èn stripliefhebber Ronald Plasterk. Tot dan toe ontbrak er een staatsprijs om het Nederlandse stripverhaal te eren en te ondersteunen.

De Marten Toonderprijs werd officieel gefinancierd door het Fonds BKVB. Dit fonds ging op 1 januari 2012 op in het Mondriaan Fonds, maar er was nog wel geld gereserveerd voor de uitreiking in 2012. De subsidieactiviteiten, waaronder ook voor strips, vielen echter vanaf 2012 echter onder het Stimuleringsfonds voor Architectuur (SFA). Het SFA heet inmiddels Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Dit fonds bekommerde zich niet om de Marten Toonderprijs, die er een stille dood is gestorven, aldus Stripschrift.

In de afgelopen jaren ontvingen Jan Kruis, Peter Pontiac en Joost Swarte de prijs waar 25.000 euro mee gemoeid is en een overzichtstentoonstelling. Het is jammer dat een mooi initiatief nu alweer van het toneel verdwijnt. Als stripjournalist was ik altijd blij met een prijswinnaar, want dat gaf een mooie gelegenheid om eens met de stripmaker te spreken en zijn werk onder de aandacht te brengen. Dit soort grote prijzen zijn altijd goed voor een media-moment en dat soort momenten kan de Nederlandse strip mijns inziens goed gebruiken.

Nu meen ik me te herinneren dat er indertijd met Plasterk is afgesproken dat de Nederlandse regering garant zou staan voor in ieder geval de eerste vijf uitreikingen wat het geld betreft. Blijkt dus maar weer dat afspraken met politici zo weer kunnen veranderen. Zeker als er een vers kabinet is.

Toch maar even met Gert Jan Pos, voormalig stripintendant en tot drie keer toe de juryvoorzitter van de Marten Toonderprijs,  gebeld hoe dat precies zit.

‘Ja, dat klopt van die vijf uitreikingen, zegt Pos. ‘Er was overigens geen sprake van een deal hoor, er was meer een afspraak van “zo gaan we het doen.” Maar politici zeggen wel meer, zoals we beginnen niet meer aan een militaire missie in Afghanistan, bijvoorbeeld.’

Eerder vandaag werd Pos gebeld door persgroep Novum voor een reactie en daarin leek hij te zeggen dat alleen dit jaar de prijs niet zal worden uitgereikt, maar dat dit niet per se het einde van de Marten hoeft te betekenen. Concrete plannen heeft Pos niet in deze richting maar indertijd heeft het ministerie OC&W aan hem laten weten dat er subsidie aangevraagd moet worden door het stimuleringsfonds. En dat kan dus gewoon. Misschien is dit toch niet het einde van de Marten Toonderprijs. ‘Ik hoop dat het stimuleringsfonds Creatieve Industrie zal zeggen dat Stripschrift zich vergist. Het zou jammer zijn als de prijs verdwijnt want er zijn natuurlijk nog heel veel potentiële winnaars. Die winnaars moeten wel een geldbedrag krijgen, anders verschilt de Marten Toonderprijs niet van de oeuvreprijs van het Stripschap,’ aldus Pos.

Het fijne aan dat geldbedrag is natuurlijk dat een stripmaker een deel van zijn tijd vrij kan maken om aan een album te werken zonder per se opdrachten aan te hoeven nemen.

Update 24 juli:
Zelf heb ik de woordvoerder van het Stimuleringsfonds dinsdag niet meer te pakken gekregen. Hij is tot vrijdag op vakantie maar heeft wel het ANP te woord gestaan hierover:

Martijn Oskam, woordvoerder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie liet dinsdagmiddag weten dat, met het afnemende beschikbare budget in het achterhoofd, is gekozen om projecten te ondersteunen die leiden tot nieuwe inzichten en het aanjagen van innovatie. Dus niet om bewezen talent te eren met een oeuvreprijs. Op die manier kan een nieuwe generatie zich ontwikkelen. (bron ANP/Nu.nl.)

Innovatie?
Ik ben benieuwd wat voor projecten men in gedachten heeft die innoveren. Wat mij betreft mag er wel een prijs komen voor stripmakers die al een tijd bezig zijn en hun talent hebben getoond, maar financieel een steun in de rug kunnen gebruiken. Geen prijs voor beginners, geen oeuvreprijs, maar iets als mid-career. Met een flink geldbedrag zodat die maker tijd vrij kan maken om een mooi stripproject te tekenen. Dat kan een album zijn of iets innovatiefs voor mijn part. Hoewel mijn voorkeur uitgaat naar een goed album, want daar trek je lezers mee. Als ze bij het Fonds dan toch willen innoveren moeten ze zich richten op de digitale verspreiding van strips. Daar valt nog een slag te slaan. Dat zou ook het bereik van het medium vergroten. Zelf lees ik het liefste strips nog van papier, maar natuurlijk vind ik het tof dat je ook op je tablet kunt lezen.

Waarom de Nederlandse strip achterloopt op de buren

Tuesday, July 2nd, 2013

Rudi de Vries bracht de ontwikkeling van Nederlandse stripuitgeverijen in kaart. Waarom loopt de Nederlandse stripcultuur achter op de Belgen en Fransen?

Rudi de Vries

Rudi de Vries

‘Het huidige Nederlandse striplandschap is heel divers, met veel kleine uitgeverijen die hun best moeten doen om te overleven. Dat lukt deels omdat ze een deel van hun product kunnen afzetten in Vlaanderen, want Nederland is maar een kleine markt. Gezien de huidige economische crisis kan het bijna niet anders dan dat een aantal uitgevers zullen sneuvelen,’ aldus dr. Rudi de Vries, die eind november vorig jaar promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen met zijn studie naar de Nederlandse en Belgische stripcultuur.
Comics and Co-evolutions – A study of the Dynamics in the Niche of Comics Publishers in the Low Countries, heet het proefschrift waarin De Vries (Den Haag, 1961) de bedrijfskundige theorie van de co-evolutie toepast op de ontwikkeling van stripuitgeverijen in Nederland en België.

Wat is het belang van je onderzoek voor je vakgebied?
‘Ik heb bestaande theorieën versterkt door ze met elkaar te combineren, waardoor duidelijk is geworden waar de zwakke en sterke punten liggen. De co-evolutionaire theorie komt uit de biologie. Planten- en diersoorten die zich in de loop der duizenden jaren op elkaar afstemmen kunnen daardoor overleven. Zo kun je ook naar organisaties kijken, zoals uitgevers. Die kunnen zich aan elkaar aanpassen en aan actoren waar ze van afhankelijk zijn, bijvoorbeeld tekenaars. Uit eerder onderzoek leek het erop dat alle organisaties één richting op evolueren, maar ik laat zien dat er in bepaalde bedrijfstakken meerdere co-evoluties tegelijkertijd kunnen plaatsvinden.’

Kun je een voorbeeld geven?
‘In een van de casussen kijk ik naar Dupuis, een grote Belgische commerciële uitgeverij die naast strips ook tijdschriften uitgaf. Toen de striptijdschriften langzaamaan verdwenen, hebben ze zich meer moeten richten op het uitgeven van albums. Door de opkomst van het stripalbum kwamen er ook uitgeverijen gespecialiseerd in strips die zich op niches richten, van graphic novels tot erotische strips. De grote uitgeverijen, vaak gericht op een groot publiek, namen het gedrag van de specialisten over en gingen zich ook deels richten op de artistieke strip en auteurstrip. Ze veranderden hierdoor van generalist in polymorphist.’

Robbedoes, Kwabbernoot en Pip.

Robbedoes, Kwabbernoot en Spip.

Waarom blijft de Nederlandse stripcultuur zo achter ten opzichte van andere landen? In Frankrijk is de strip heel groot, terwijl het in Nederland maar een nichemarkt is.
‘In mijn onderzoek vergelijk ik Nederland vooral met België en Frankrijk. Dat zijn echte striplanden die internationaal veel invloed hebben gehad op het medium door de clans rond Hergé en rond het tijdschrift Robbedoes met Franquin en soortgenoten. In Nederland heb je heel lang Marten Toonder gehad die generaties tekenaars onder zijn hoede nam en opgeleidde. De Nederlandse uitgeverijen nemen vaak eerder genoegen met vertalingen. Dat is makkelijker en levert eerder geld op dan investeren in Nederlands talent. Dat is deels ook te verklaren door de beperkte omvang van de markt, want die is voor Nederlandse uitgevers veel kleiner dan die van hun Waalse en Franse collega’s, die hun product ook in het buitenland kunnen afzetten. Sinds de jaren zestig is het stripaanbod dat in Nederland uitkomt voor twintig procent door Nederlanders gemaakt. Eenzelfde percentage komt uit Vlaanderen, de rest zijn vertalingen. Het is voor een Nederlandse uitgeverij veel goedkoper vertalingen uit te geven dan te investeren in Nederlands talent, wat veel risico met zich meebrengt. Bovendien kun je die buitenlandse strips selecteren die daar goed verkopen. De kans is dan al groter dat het hier ook een succes wordt.’

bommel_tompoesJe impliceert in je proefschrift dat dit ook te maken heeft met de culturele identiteit van landen.
‘Uit mijn onderzoek blijkt dat ook in de stripsector Nederland snel geneigd is compromissen te sluiten. In België is men eigenzinniger. Dat geldt zowel voor Wallonië als voor Vlaanderen. Vlaanderen wil zich onderscheiden van Wallonië door een eigen cultuur te hebben. Dat zie je terug in de Vlaamse strips die een volkser karakter hebben dan de Waalse strips.’

Ik heb het idee dat de strip in Nederland een slechte reputatie heeft.
‘Relatief gezien is het aantal mensen dat in Nederland een stripalbum leest veel lager dan in Frankrijk in België. Dat aantal is sinds de jaren negentig ook sterk teruggelopen. De diepere oorzaken hiervoor heb ik in mijn onderzoek niet durven aan te stippen omdat dat bijna niet te meten is. Wat ik van veel geïnterviewde uitgevers en tekenaars heb gehoord, is dat er een algemeen cultuurverschil is. Er is meer belangstelling voor het beeld in katholiekgetinte landen zoals Frankrijk en Wallonië. In een meer calvinistisch land als Nederland is het woord belangrijker. In Frankrijk is verstrooiing en je amuseren eerder geaccepteerd dan hier. Historisch gezien wordt de strip daar ook veel meer als cultureel erfgoed gezien.’

De laatste jaren is er veel stimulans geweest voor het beeldverhaal. Er was tweeëneenhalf jaar een stripintendant, er is een beroepsvereniging en een HBO-opleiding voor stripmakers gekomen. Dat wijst op een professionalisering van de sector, maar als ik jouw verhaal hoor, dan heeft al die moeite zich nog niet uitbetaald in meer Nederlandse producties ten opzichte van vertaalde strips.

Gert Jan Pos geeft Jan Kruis de allereerste Marten Toonderprijs.

Gert Jan Pos geeft Jan Kruis de allereerste Marten Toonderprijs.

‘Over het geheel bekeken niet, maar als de subsidies en de intendant er niet waren geweest dan was het aandeel Nederlandse strips en strips van nieuwe tekenaars misschien nog veel kleiner geworden. Door de subsidies is het voor tekenaars mogelijk om zich een halfjaar af te zonderen en aan een album te werken zonder dat ze commerciële opdrachten hoeven doen. En voor uitgeverijen is het ook nu mogelijk om zo’n boek uit te geven.’

Wat heeft de intendant naar jouw inzicht bijgedragen aan de ontwikkeling van de Nederlandse strip?
‘Ik denk dat hij vooral goed is geweest voor de promotie van de strip. Door in Nederland en het buitenland te laten zien dat er hier heel veel gebeurt. Dat er veel jonge, ambitieuze striptekenaars zijn die echt wat te melden hebben. Dat sijpelt direct door, in albums, maar ook indirect door de aandacht die de strip in de media krijgt.
Maar je kan in twee jaar niet alles aanpakken. Om de relatief kleine markt te vergroten moet je ook Nederlandse strips in het buitenland slijten. Dat heeft de intendant ook wel geprobeerd in Barcelona, maar het was nog mooier geweest als ze eens naar het belangrijkste stripfestival in Europa, Angouleme, zouden gaan. Dat is met Vlaamse tekenaars gebeurd, en dat heeft veel opgeleverd. Als je werk in het buitenland vertaald krijgt, kunnen de makers er beter van leven dan alleen de opbrengsten in Nederland. Het feit dat uitgevers moeilijk hun strips in de winkels en kiosken krijgen blijft een zwak punt. De intendant heeft het distributieprobleem niet aangepakt en is daar ook op aangevallen.’

Is de graphic novel de redding van de Nederlandse strip?
Typex_Rembrandt-cover‘De graphic novel is als label deels een marketingstrategie, maar is ook meer dan dat: de inhoud is kunstzinniger en meer literair dan die van een traditioneel genre-album; de albums worden in het formaat van reguliere boeken geproduceerd waardoor ze beter passen in de boekenkasten van boekhandels. Als de stripromans worden uitgegeven door literaire uitgevers, dan hebben die ook sneller geloofwaardigheid in de literaire sector. Graphic novels zijn niet alleen maar in stripspeciaalzaken te koop maar staan ook in de reguliere boekhandel, waardoor ze onder ogen van een breder publiek komen. Dat kan de overlevingskansen van de strip vergroten.’

Ik hoor uitgevers ook klagen dat boekhandelaren niet weten hoe ze de graphic novel in de markt moeten zetten. Er is zelfs een folder uitgegeven om de boekverkopers uit te leggen wat een graphic novel is.
‘Ik denk, gezien de malaise in de boekwereld, dat maar een klein deel van de boeken goed verkoopt. Het merendeel is toch voor een nichepubliek bedoeld.’

Hoe ziet het huidige striplandschap er tegenwoordig uit volgens jou?
‘Heel divers, maar er zijn vooral veel kleine uitgeverijen die echt hun best moeten doen om te overleven. Het kan bijna niet anders dat er een aantal zullen sneuvelen. En dankzij het feit dat ze nog een beetje kunnen afzetten in Vlaanderen, bestaan ze nog, anders waren ze waarschijnlijk al gesneuveld. Het is te hopen dat ze het blijven volhouden en dat de economische crisis ophoudt.
Digitale vormen van strips zijn in opkomst. Men is nu aan het experimenteren om strips zo om te zetten dat ze op een tablet of mobieltje passen. De Standaard Uitgeverij is daar heel snel mee begonnen door Suske en Wiske in die vorm aan te bieden. Maar ook de Amerikaanse uitgeverijen. Dus ik vermoed dat de Nederlandse uitgeverijen daar ook mee bezig moeten gaan. Tegelijkertijd denk ik dat er altijd wel belangstelling voor het gedrukte stripboek zal blijven bestaan. Het zal allemaal kleiner worden. Maar dat soort zaken heb ik in mijn onderzoek niet meegenomen. Het gros van het onderzoek eindigt voor de crisis, maar als je het hebt over de situatie van nu, dan ziet het er inderdaad weinig rooskleurig uit.’

Wat kunnen Nederlandse stripmakers en uitgevers leren van je onderzoek?

Barbara Stok en Jean-Marc van Tol tijdens de opnames van 'Beeldverhaal'. Bron: Human Factor

Barbara Stok en Jean-Marc van Tol tijdens de opnames van ‘Beeldverhaal’. Bron: Human Factor

‘Dat je als tekenaar wel degelijk invloed blijkt te kunnen uitoefenen. Eind jaren negentig heeft Joost Swarte de strip onder de aandacht gebracht bij het Fonds BKVB zodat er subsidies voor strips kwamen. Daarna trokken Jean-Marc van Tol en Hanco Kolk aan de noodbel en is er nog een prijs bijgekomen en intendant. Deze acties van stripmakers hebben dus veel opgeleverd: subsidiemogelijkheden, prijzen en aandacht vanuit de media. Ook een mooi voorbeeld zijn tekenaars zoals Moebius en generatiegenoten die in de jaren zeventig begonnen te werken als autonoom kunstenaar. Dat heeft toch ook veel gevolg gehad onder tekenaars en uitgeverijen, onder andere heeft dat er uiteindelijk voor gezorgd dat grote uitgeverijen zich helemaal of deels hebben moeten aanpassen. En dat kon alleen omdat het publiek daarin meeging. Het publiek werd volwassener en wilde ook die auteursalbums lezen. Maar als die tekenaars daar zelf niet mee waren begonnen, was dat nooit gebeurd. Dat betekent dus dat je als idealistische uitgever of als tekenaar best wat kan bewerkstelligen. Dat kan niet geheel solo, er moeten wel mogelijkheden zijn in de markt, en je moet zelf meerdere rollen kunnen vervullen. Neem Joost Swarte, die is tekenaar, kunstenaar en vormgever, en daardoor had hij ook makkelijk ingang bij het Fonds voor de beeldende kunst. Jean-Marc van Tol is ook zo’n figuur die meerdere rollen kan vervullen.
Kortom: blijf actief, alert en maak gebruik van de mogelijkheden die er zijn. Wees ook niet te pessimistisch.’

Dit artikel is geschreven in opdracht van de VPRO Gids.

Joost Swarte krijgt Marten Toonderprijs 2012

Wednesday, June 6th, 2012

Dit bericht kreeg ik net binnen. Gefeliciteerd, Joost!

Striptekenaar (illustrator, architect en vormgever) Joost Swarte wint de Marten Toonderprijs 2012, de belangrijkste Nederlandse stripprijs. Swarte is de derde winnaar; de eerste winnaar, in 2010, was Jan Kruis, de tweede Peter Pontiac. De Marten Toonderprijs is een oeuvreprijs die wordt uitgereikt aan een striptekenaar die een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan het beeldverhaal.

Er is niemand in Nederland die nog nooit een tekening van Joost Swarte heeft gezien. Hij gaf vorm aan postzegels, affiches, horloges, huizen, glas-in-loodramen en telefoonkaarten, voortdurend gebruikmakend van een zeer uitgesproken stripidioom. Hij combineert een grote inhoudelijke vrijheid met een traditionele en sterk grafische tekenstijl.

Joost Swarte muntte in 1976 de term ‘klare lijn’: een definitie die van toepassing is op zijn eigen opgeruimde stijl, maar die met terugwerkende kracht ook van toepassing bleek op Kuifje. De klare lijn is een internationaal begrip met Joost Swarte als een van zijn belangrijkste vertegenwoordigers. Swarte heeft in bijna heel Europa geëxposeerd – van Barcelona tot Groningen; van Angoulême tot Boedapest – , is gelauwerd en geridderd voor zijn oeuvre. Swarte (1947) studeerde industriële vormgeving in Eindhoven en begon zijn eigen blad Modern Papier. Hij tekende strips als Jopo de Pojo, Katoen + Pinbal en Anton Makassar. In januari 2012 verscheen de lang verwachte verzamelbundel Bijna Compleet.

Voor Vrij Nederland maakte hij de serie ‘Niet zo, maar zo’: tekeningen die een bedriegelijke logica hebben. De klare lijn leent zich ook uitzonderlijk goed voor illustraties. Swarte illustreerde Nescio’s drie novellen De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje. Hij levert, onder andere, geregeld illustraties aan het prestigieuze weekblad The New Yorker. Voor datzelfde blad maakt hij de strip ‘We’ll Make It’. Hij was ook betrokken bij de opzet en inrichting van het Musée Hergé in Louvain-la-Neuve, was de initiatiefnemer van de Stripdagen Haarlem en medeoprichter van stripuitgeverij Oog & Blik. Eind 2012 verschijnt zijn nieuwe boek Niet zo, maar zo! Een handleiding voor eigentijds leven.

De jury van de Marten Toonderprijs bestond uit Vic van de Reijt, uitgever bij Nijgh en Van Ditmar, Mieke Gerritzen, directeur van het MOTI in Breda en striptekenaar Wasco, voorzitter van de jury was Gert Jan Pos, voormalig intendant strips van het Fonds BKVB dat inmiddels is gefuseerd tot Mondriaan Fonds. De prijs van €25.000 wordt beschikbaar gesteld door het Mondriaan Fonds en wordt op zaterdag 8 september uitgereikt in Breda tijdens het Stripfestival Breda. De prijs draagt bij aan de erkenning van de strip in Nederland.

Interview Peter Pontiac: Horror vacui

Saturday, September 10th, 2011

Stripmaker en illustrator Peter Pontiac krijgt de Marten Toonderprijs 2011 voor zijn oeuvre, waarmee hij volgens de jury door een combinatie van schrijver- met kunstenaarschap de Nederlandse strip heeft verrijkt.

Sinds bekend werd dat Peter Pontiac de Marten Toonderprijs zou krijgen, bedoeld voor stripmakers die een bijzondere bijdrage hebben geleverd aan het beeldverhaal, heeft hij al menig journalist te woord gestaan. De in 1951 te Beverwijk geboren tekenaar heeft een eigenzinnige stempel gedrukt op de Nederlandse stripwereld. Hij maakt sociaal geëngageerde strips, erotica en bovenal autobiografische verhalen over zijn drugsgebruik en liefdesleven. Soms grimmig en vol zelfbeklag, vaak niet zonder zelfspot en soms heerlijk luchtig zoals in het verhaal over een bezoek aan Lowlands.

In het begin van zijn carrière kreeg hij het predikaat undergroundtekenaar opgeplakt, mede door publicaties in Nederlandse, Spaanse en Amerikaanse undergroundbladen.
De autodidact is bij het grote publiek waarschijnlijk vooral bekend als illustrator. Pontiac tekende covers voor bootlegboeken met songteksten van Country Joe & The Fish, The Rolling Stones en Bob Dylan die eind jaren zestig werden uitgegeven door de Leidse Commune waar hij als uit huisgetrapte tiener een jaar heeft gewoond. Muziek is altijd een belangrijke inspiratiebron voor Pontiac geweest. Hij maakte posters, platenhoezen en illustraties van popmuzikanten voor tijdschriften als Hitweek-Aloha, Muziek Express en Oor. Ook tekent hij voor kranten als het AD en NRC en sieren zijn tekeningen soms de cover van de VPRO Gids.

Rhythm
Behalve 25.000 euro die Pontiac ontvangt, is er naar aanleiding van De Marten een overzichtstentoonstelling in het Graphic Design Museum Breda met de ondertitel Comix, Hot pix & Tragix. Die ondertitel duidt zijn oeuvre goed, vindt de stripmaker: ‘Tragix is het tegenovergestelde van comix; het stoort me altijd een beetje dat het woord comix suggereert dat het allemaal alleen maar lachen is in de strip, terwijl lang niet alle strips om te lachen zijn. Zeker die van mij niet.’

Begin september verscheen Rhythm, een chronologisch overzichtswerk waarin alle stripverhalen van Pontiac zijn opgenomen. In totaal een kleine 400 pagina’s, relatief weinig voor een stripmaker wiens carrière meer dan veertig jaar beslaat. ‘Dat zijn er dus gemiddeld tien per jaar. Dat is helemaal niks in vergelijking tot wat Dick Matena allemaal getekend heeft. Die zal schamper lachen om dat aantal,’ zegt Pontiac. ‘Ik zou graag meer strips maken, maar het levert geen rode cent op. Nederland is immers maar een klein afzetgebied. Het is monnikenwerk waarvoor je maximaal 200 euro per pagina krijgt, als het al ooit wordt voorgepubliceerd in een stripblad. Er zijn nauwelijks nog bladen die er überhaupt voor betalen.’

Barok
Ergens in het midden tussen het cartooneske en realisme zit Pontiacs herkenbare tekenstijl. Zijn zeer gedetailleerde illustraties nodigen uit tot een nauwkeurige studie. ‘Ik ben van de barok,’ verklaart de tekenaar. ‘In een museum zal ik als eerste naar een schilderij gaan waar ontzettend veel op te zien is. De overpowerende veelheid en de variatie van de dingen in zo’n kunstwerk is vergelijkbaar met de pracht en de rijkdom van het leven in al zijn vormen. Barok drukt voor mij datzelfde gevoel van rijkdom en overvloed uit.’

Onzekerheid is een andere reden voor Pontiacs volle prenten: ‘Ik heb altijd een ontzettende horror vacui gehad. Als ik de plaat maar helemaal vol stop dan staan er altijd wel een paar dingen op die de goedkeuring kunnen wegdragen. Ik heb het idee dat ik langzamerhand een niveau heb bereikt, niet per se van kwaliteit, maar van zelfvertrouwen.’

Autobiograaf
Pontiac maakt zich boos over het lot van de minderbedeelden in de wereld. Het sociaal engagement zat er al vroeg in. Als tiener ontdekte hij in een anarchistisch boekwinkeltje in Haarlem politieke bladen uit onder andere Rusland, Duitsland en Frankrijk. Deze stonden vol politieke prenten die hem zeer aanspraken. Ook de tekeningen van Bernard Holtrop op pamfletten van de provobeweging, inspireerden hem. ‘Ik maak graag tekeningen die op de een of andere manier strijd laten zien. Dat is interessant om te tekenen en om naar te kijken,’ zegt Pontiac.

In de jaren zestig en zeventig verwerkten Amerikaanse undergroundtekenaars als Robert Crumb maatschappijkritiek in hun strips die vaak ook autobiografisch waren. Mede hierdoor geïnspireerd begon Pontiac met zijn eigen autobiografische strips. Het eerste stripverhaal was voor een Amerikaans boek uit 1971 over de jaren zestig waar andere tekenaars van het striptijdschrift Tante Leny Presenteert ook aan meewerkten en dat binnenkort, veertig jaar later, waarschijnlijk uit gaat komen. ‘Het lag voor de hand om een verhaal te maken over mijn eigen sixties die behoorlijk heftig waren geweest.’

Gonzo
Pontiac herkende in de gonzo-journalistiek – waarvan het werk van Hunter S. Thompson het bekendste voorbeeld is – een verwantschap met zijn eigen werk. Net zoals pophelden als Bob Dylan, die met Blood on the tracks een plaat over zijn scheiding maakte, verhaalde Pontiac de breuk met zijn vriendin Rita Dolce Vita in zijn strips. ‘Muzikanten hebben pseudoniemen en gebruiken hun eigen ellende als grondstof voor hun werk, dus waarom zou ik dat ook niet mogen doen?’

Junkieromantiek
Pontiacs recreatief gebruik van verschillende verdovende middelen was dikwijls het onderwerp van zijn verhalen. “The Amsterdam Heroine Connection”, gepubliceerd in het striptijdschrift Gummi in 1977, is daarvan het beste voorbeeld. Het verhaal heeft een open einde omdat de tekenaar zijn deadline niet haalde. In de strip verontschuldigt hij zich aan de lezer voor het feit dat de laatste pagina’s een verzameling van oud tekenwerk bevatten. Juist doordat het verhaal halverwege ontspoort en de stripmaker zijn greep op de materie verliest, geeft deze strip op metaniveau aan wat het drugsgebruik met de kunstenaar deed.

Het was vroeger vooral de junkieromantiek die Pontiac naar de naald dreef: ‘Ik zorgde als ik in de trein zat er bijvoorbeeld altijd voor dat mijn spuit uit mijn borstzak stak. Ik vond het echt cool om junk te zijn, helemaal in die sfeer van “Waiting for the man” van The Velvet Underground. Een fantastisch nummer. Als ik dat hoor krijg ik meteen dat gevoel weer: het ritueel van het scoren, de spanning van op de straat naar de dealer toelopen. Achteraf kijk je daar op terug en besef je dat het een sneue bedoening was.’ Serieuze leverproblemen is de prijs die Pontiac voor die wijsheid betaalde.

Spider-Man
Een ander overblijfsel uit die doldwaze tijd is een, inmiddels versleten, tatoeage van de stripheld Spider-Man. ‘Ik ben niet per se een Spider-Man fan, al vind ik het een geweldige figuur. Dat hij Peter Parker heet, dat op Peter Pontiac lijkt, spreekt me ook aan.’
Hoe komt het webhoofd op Pontiacs linkerarm terecht? ‘In 1980 zat ik in café De Trom aan de bar, dat was toen een hotspot op de wallen. Tattoo-artiest Henk Schiffmacher vertelde dat hij een plaatje had van Spinneman dat hij zo mooi vond, dat hij het desnoods voor niets op een arm zou zetten. Toen keek hij mij aan. Ik was niet helemaal fris, dus op een gegeven moment zei ik “Laten we gaan dan.” Sindsdien loop ik dus rond met zo’n Spinneman.’ Pontiac heeft er wel een tijdje spijt van gehad: ‘Toen ik met mijn gezin op Griekse strandjes moest gaan zitten met zo’n grote vleesstempel, vond ik dat wel een tikje gênant.’

Sinds hij op zijn drieëndertigste zijn huidige vrouw en haar kinderen ontmoette, is Pontiac met de harddrugs gestopt, al blijven journalisten ernaar vragen. ‘Ik was een hardwerkende huisvader die de hele dag zat te tekenen om de huur bij elkaar te krijgen en om dan altijd weer geconfronteerd te worden met het feit dat ik die dopey tekenaar was, vond ik uiteraard irritant. Tegenwoordig rook ik overigens nog wel jointjes, want met een stickje wordt het opeens heel aantrekkelijk om een wit vel te gaan vullen.’

Kraut
In 2000 verscheen Pontiacs magnum opus Kraut, over zijn vader die tijdens WOII oorlogsverslaggever was voor de SS en later als roddeljournalist voor damesbladen zijn brood verdiende. De Marten Toonder-jury noemt dit de beste Nederlandse graphic novel ooit. ‘Kraut is een geïllustreerde brief aan mijn vader. Lang niet iedereen vindt het een graphic novel – omdat er geen omkaderde plaatjes met tekstballonnetjes in staan – maar ik wel. Voorin het boek staat een afbeelding van een Grieks sigarettendoosje waarop striplegende Will Eisner aan me schreef dat hij graag zag dat ik ook een graphic novel maakte. Die handschoen heb ik toen opgepakt en Kraut gemaakt.’

Illustratie uit Kraut.

Micky Mouse en Hitler
Al voordat zijn vader Joop Pollmann op mysterieuze wijze verdween in de Daaibooibaai te CuraÇao wilde Pontiac al diens verhaal vertellen. ‘Het is een fantastisch verhaal waar ik allemaal sterke beelden in kon stoppen. Ik vond op zolder ooit zijn oude schetsboek met daarin de Paus en Mickey Mouse, maar ook Mussolini, Hitler en Franco – allemaal helden van mijn vader, de nazi die opgroeide in de heiligenbeeldenwinkel van mijn grootvader. Door zijn verdwijning werd het verhaal alleen maar beter. Ik heb ermee gewacht tot mijn moeder niet meer leefde, ze had de publicatie niet getrokken.’

Door het maken van Kraut kreeg de stripmaker meer begrip voor zijn vader. ‘Toen ik jong was wilde ik helemaal niet met hem over zijn verleden praten. Ik vond gewoon dat hij een nazi was en wilde hem niet steunen door geïnteresseerd te doen. Achteraf heb ik daar veel spijt van. Naarmate je ouder wordt ga je steeds meer zien dat de dingen niet zo zwart-wit zijn.’

De dood
Uitgetekend is de undergroundtekenaar allerminst. Pontiac droomt al jaren van een boek over de dood, wat hij een waanzinnig interessant onderwerp vindt. ‘Ik wil het absoluut maken, zodat wanneer de dood mij komt halen het 1-1 staat omdat ik hem al een keer te pakken heb gehad. Daarbij vind ik het heel erg leuk om skeletten en schedels te tekenen. Er is een prachtig vers van Dylan Thomas waarin hij zijn woede tegen de dood verwoordt: “Rage, rage against the dying of the light.” De klootzak die denkt ons te kunnen halen en het godverdomme ook nog doet. Die emotie zou ik er zeker in verwoorden, maar ook de positieve kant van de dood. Het is natuurlijk tragisch als iemand sterft, maar het is absurd om te doen alsof de dood een vijand is, want er pleit ook van alles voor dat hij een vriend is. In de eerste plaats in de gevallen waarin het leven al helemaal niet leuk meer is, maar wat zou het leven zonder de dood zijn? Hij is de lijst om het schilderij.’

Peter Pontiac: Rhythm
uitgever Oog & Blik/De Bezige Bij

Pontiac, Peter Pontiac
Peter Pontiac werd in 1951 geboren als Peter Pollmann. In zijn strips gebruikt hij namen als Daan Doem en Frankie Lee voor zijn personages. In het echte leven koos hij voor de naam Pontiac omdat hij altijd een hekel heeft gehad aan zijn achternaam: ‘Vanwege mijn vader en dat Duitse met dubbel-l en dubbel-n. Pollmann en Pontiac lijken een beetje op elkaar. Ook kwam ik er ooit achter dat Pontiac de naam is van het laatste Indianen opperhoofd dat zich heeft verzet tegen de blanke krakers van zijn land, de Europeanen.’ Met het automerk heeft het overigens weinig te maken, al krijgt de stripmaker geregeld Pontiac-parafernalia toegestuurd.

Dit artikel is gepubliceerd in VPRO Gids #37.

Programma Stripfestival Breda

Thursday, September 8th, 2011

Het zal de echte stripliefhebber niet ontgaan zijn dat dit weekend Stripfestival Breda plaatsvindt. Ik heb daar al eerder wat aandacht aan besteed, maar omdat ik de beroerdste niet ben, en voor mezelf graag ook nog even de zaken op een rijtje wil zetten, hier even een overzicht van wat er allemaal te beleven valt in het centrum van Breda.

Marten Toonderprijs voor Peter Pontiac
Vrijdag wordt in De Grote Kerk in Breda de Marten Toonderprijs aan Peter Pontiac overhandigd. Jan Kruis, de winnaar van vorig jaar zal de oeuvreprijs van 25.000 euro uitreiken. Dit is meteen het startschot voor Stripfestival Breda dat Breda drie dagen lang het middelpunt van het beeldverhaal zal maken. Op maar liefst acht verschillende locaties worden er tal van activiteiten georganiseerd.

Peter Pontiac – COMIX, HOTPIX & TRAGIX
De tentoonstelling Comix, Hotpix & Tragix in het Graphic Design Museum geeft een overzicht van het werk van striptekenaar Peter Pontiac. Hij is de tweede striptekenaar die de Marten Toonderprijs ontvangt. Deze oeuvreprijs voor strips is ingesteld door het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst. Werk voor Kraut en vele andere originele tekeningen zijn te zien op deze overzichtstentoonstelling.

Chassé Theater
Het hart van het festival is de stripbeurs in het Chassé Theater. Daar zijn de striptekenaars, uitgevers en standhouders te vinden. Ook vind je daar veel attracties voor het hele gezin, waaronder een springkussen, schminkstand, karikatuurtekenaars, workshop striptekenen, knutselhoek, stripveilingen, stripquiz, happy hour, presentaties en nog veel meer. Als pa strips koopt moeten de kids immers ook beziggehouden worden.

Bijzonder collectief
Op initiatief van uitgever Ger van Wulften bundelen verschillende uitgevers onder de noemer Graphic Novel & Art United hun krachten. In een speciale stand op de beurs staan Zone 5300, Oog & Blik, Sherpa, Bries, De Buitenkant, Art Books, Pulpman en Xtra in de Finntaxzaal op de eerste etage van het Chassé Theater. Zie de Zone-site voor een plattegrond.

Stripmakers
Een kleine greep uit de, volgens de organisatie, meer dan honderd tekenaars en schrijvers die aanwezig zullen zijn: Dick Matena, Martin Lodewijk, Eric Heuvel, Willem Ritstier, Jorg de Vos, Romano Molenaar, Carry Brugman, Mark van Herpen, Dick Heins, Gerben Valkema, Eric Hercules, Fred de Heij, Willem Ritstier, Danker Jan Oreel, René Uilenbroek, Uco Egmond, Pieter Hogenbirk, Marq van Broekhoven, Herman Roozen, Mars Gremmen, Gerard Leever, IJsbrand Oost, Ger Apeldoorn, Sytse Algera, Matt Baay, Rob van Barneveld en Henk Kuijpers signeren in Breda.

Animatie
Stormtroopers, Robots, Manga meisjes, Zombies, Monsters, Knuffeldieren en Marq van Broekhoven als Jodocus de barbaar, je kunt het zo gek niet verzinnen of je loopt ze wel tegen het lijf. In het Chassé Theater maar ook daarbuiten. Eigenlijk hoort dat ook gewoon op een stripbeurs, dat fans zich als hun favoriete stripfiguren verkleden en op de beurs rondlopen. In Amerika is dat in ieder geval heel gewoon. In Nederland zag je in voorgaande jaren meestal slechts een paar Star Wars-figuren en Sjors en Sjimmie. Ben dus benieuwd hoe groot het leger verkleedde striphelden is.

Open monumentendag
Op vrijdag is zoals gezegd de uitreiking van de Marten Toonderprijs in De Grote Kerk van Breda. Deze feestelijke gebeurtenis is echter alleen voor genodigden. Op zaterdag is de kerk wel voor het publiek geopend i.v.m. Open Monumentendag en dan is er ook een kleine tentoonstelling van werk van Peter Pontiac te bezichtigen.

Henk Kuijpers
In de Euretco Foyer in het Chassé Theater organiseert Henk Kuijpers een bijzondere Franka verkooptentoonstelling, waar het complete artwork van het album Het zilveren vuur te bewonderen is.

Kunstripbeurs
Op de KunstStripBeurs in het Graphic Design Museum verkopen striptekenaars zelf hun eigen werk: boeken, buttons, zeefdrukken, originele tekeningen, schilderijen, t-shirts en nog veel meer. Onder de 80 deelnemers o.a. Guido van Driel, Margreet de Heer, Erik de Graaf, Edith Kuyvenhoven, Nozzman en Gerrie Hondius. De KunstStripBeurs wordt georganiseerd in samenwerking met het Fonds BKVB.

Haas
Het artwork dat Fred de Heij voor Haas heeft gemaakt is te bezichtigen in Galerie Jan d’Art. De expositie omvat o.a. schetsen, lijntekeningen en olieverfschilderijen. Het artwork is tevens te koop.

Wasco tekent
Tekenaar Wasco is één van de best bewaarde geheimen van de Nederlandse stripwereld. Voortdurend is hij op zoek naar de grenzen van het medium. Hij publiceert zijn werk al jaren in eigen beheer. Zijn oeuvre is omvangrijk, want Wasco tekent dag in en dag uit. Ter gelegenheid van zijn tentoonstelling in het Graphic Design Museum tekent Wasco daar tijdens Stripfestival Breda op 10 en 11 september een paar keer per dag. Geen idee wie Wasco is? In deze video nadere informatie:

Centrum voor beeldcultuur
In deze groepstentoonstelling veertien jonge nieuwe talenten. Sommigen zijn vers van de academie, anderen hebben met steun van het Fonds BKVB net hun debuut uitgebracht of werken daar nog aan. In de tentoonstelling in het Centrum voor Beeldcultuur is een overzicht te zien van dit aanstormende talent.

Electron
In 2 weekenden (10/11 en 17/18 september) wordt in Electron een inspirerende ruimte opgebouwd met graphic novels, kunst, live painting, exposities, muziek, shop, poëtry, design, workshops, live printing AND more! Op 10 en 11 september staan de medewerkers van Electron live aan de drukpers en kun je samen met hen aan de slag. ‘s Avonds is er een stripfeest, wat een geweldige happening belooft te worden.

Algemene info
De entree voor de stripbeurs in het Chassé Theater is eur 8,50 voor volwassenen en eur 6,00 voor kinderen tot 12 jaar. Met de kortingsbon in deze Eppo krijg 1 euro korting op de entreeprijs.

De entree voor het Graphic Design Museum, De Grote Kerk (op zaterdag) en het Centrum voor beeldcultuur is gratis.

Openingstijden op beide dagen van 10.00 tot 17.00 uur

Voor meer informatie kijkt u op www.stripfestivalbreda.nl

Rhythm van Peter Pontiac vanaf september in de winkel

Friday, August 12th, 2011

Ik krijg als stripjournalist veel boeken thuisgestuurd van uitgevers. Vaak ongevraagd, maar nooit onwelkom. Er zijn ook boeken waar ik naar uitkijk, zoals het verzamelde werk van Peter Pontiac dat begin september uitkomt. Rhythm heet de bundel.

Recent heb ik weer eens Kraut en de Pontiac Reviews, de reeks boeken uitgegeven door Oog & Blik waarin het werk van Peter thematisch is gebundeld, gelezen als voorbereiding op het interview dat ik laatst met hem voerde.

De nieuwe bundel Rhythm zal al Pontiacs stripverhalen bevatten. Voor de liefhebber moet dit het perfecte boek zijn, want zijn strips verschenen overal en nergens. Maar de bundel is ook een prima manier om voor het eerst kennis te maken met een van de grootste striptekenaars van Nederland. Nooit eerder is een compleet overzicht van zijn stripoeuvre gepubliceerd. In Rhythm zijn alle strips chronologisch geordend, het geeft zijn ontwikkeling van de underground-strips uit de jaren zeventig tot zijn latere werk weer, maar ook langere verhalen als Lost in the Lowlands en Requim Fortissimo.

Rhythm komt niet toevallig begin september uit, want op de negende van die maand krijgt Pontiac De Marten in zijn handen gestopt. Om zijn oeuvre te vieren krijgt de tekenaar een welverdiende geldprijs van 25.000 euro.

Op 9 september 2011 wordt de Marten Toonderprijs aan hem uitgereikt in de Grote Kerk in Breda, daarna opent de overzichtstentoonstelling Comix, Hot Pix & Tragix in het Graphic Design Museum in Breda. De expositie loopt van 10 september tot 27 november 2011.

Het interview met Pontiac zal begin september in de VPRO Gids verschijnen.

De nieuwe Zone 5300: Peter Pontiac, Jeroen Funke en Tim Enthoven

Saturday, June 25th, 2011

Vanaf donderdag 23 ligt hij reeds in de winkel: Zone 5300 #94. Een nummer met Peter Pontiac, Jeroen Funke en Tim Enthoven. Drie keer bekroond vaderlands talent.

Hoe verleidelijk het ook was in het licht van de voorgenomen bezuinigingen op cultuur: het zomernummer van 2011 is geen politiek pamflet geworden. Eerder een demonstratie van de kwaliteit en scheppingskracht van dát deel van onze bedreigde creatieve sector dat als stripmaker werkzaam is.

Pastorale, het verhaal dat Tim Enthoven speciaal voor Zone 5300 maakte, is daar een mooi voorbeeld van. Enthovens opmerkelijke debuut Binnenskamers, dat voor verschijning al bekroond werd met de René Smeets Prijs, biedt een interessante benadering van het medium strip. In Pastorale geeft hij de Zone-lezer een proeve van zijn kunnen op de korte baan.

En ook Lamelosser Jeroen Funke toont in Zone #94 hoe je met strip ook heel goed een essay kunt maken met Spruitjes, bier, leverworst, waarmee hij onlangs de Jan Hanlo Media Essay Prijs won. In zijn stripessay vertelt Funke aan de hand van zijn vaste helden Victor & Vishnu hoe belangrijk het is voor de mens om zijn onbevangenheid te bewaren.

Very Dandy
Daarnaast in deze Zone: Integrale beoordeling over dandyisme en de kunstacademie. De voorpublicatie uit de graphic novel van Robert van Raffe, tevens verantwoordelijk voor de cover.

In deze Zone 5300 ook een gloednieuwe rubriek: Zone Expo, waarin jonge beeldmakers een podium voor hun werk krijgen. Het spits wordt afgebeten door de ‘Creatures’ van Dieter Van der Ougstraete, die recentelijk nog bekroond werd met zijn Leven 1.0 in de Benelux Beeldverhalen Prijs.

En de dummy staat dit keer, tot mijn grote genoegen moet ik zeggen, in het teken van Marten Toonder Prijswinnaar Peter Pontiac. Hij gunt de lezer een unieke kijk in zijn schetsboeken.

Zone 5300 # 94, 72 pagina’s kleur, prijs € 6,75. Sinds 23 juni te koop bij
de betere stripwinkel en boekhandel of via www.zone5300.nl/webshop.

Pontiac krijgt ‘De Marten’

Tuesday, May 3rd, 2011

Gisteren schreef ik al dat Peter Pontiac dit jaar de Marten Toonderprijs, die ik graag ‘De Marten’ noem, krijgt. Ik schreef hierover ook een bericht voor Het Parool en sprak Pontiac daarvoor kort over de telefoon. Zoals beloofd hier het stuk dat vandaag in de krant verscheen.

Striptekenaar Peter Pontiac krijgt de Marten Toonderprijs 2011, tegenwoordig de belangrijkste Nederlandse oeuvreprijs voor stripmakers.

De Marten Toonderprijs van het Fonds BKVB is een oeuvreprijs die wordt uitgereikt aan een stripmaker die een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan het beeldverhaal. De jury noemt Pontiacs werk vernieuwend: ‘Hij heeft een combinatie van schrijver- en kunstenaarschap toegevoegd aan de Nederlandse strip.’

‘Ik was stomverbaasd dat ik hem kreeg,’ zegt Pontiac. ‘Sommige mensen vinden misschien dat ik voor een stripprijs relatief weinig strips heb gemaakt. Volgend jaar komen er twee overzichtsboeken uit, eentje met het beste tekenwerk en eentje met alle strippagina’s. Dat zijn er toch wel 300. Maar goed, op veertig jaar tekenen is dat niet zo veel.’

De autodidactische tekenaar Pontiac (1951) publiceerde aan het begin van zijn internationale carrière in Nederlandse, Spaanse en Amerikaanse undergroundbladen. Later illustreerde hij voor Oor, NRC Handelsblad en het AD. Muziek, rock-‘n-roll, is altijd een belangrijk thema gebleven in zijn illustraties, strips en albumcovers. Pontiac maakte ook autobiografisch getinte strips over zijn drugsgebruik. Zijn belangrijkste wapenfeit is echter Kraut (2000), een graphic novel over zijn vader die tijdens WOII oorlogsverslaggever was voor de SS. De jury noemt dit de beste Nederlandse graphic novel.

‘Ik sta nog steeds vierkant achter Kraut en wilde het boek al jaren maken,’ vertelt Pontiac. ‘Ik heb ermee gewacht tot mijn moeder niet meer leefde, ze had het verhaal niet getrokken.’

Illustratie voor Kraut.

Op dit moment is Pontiac bezig met een grote prent over de Belgische zanger Guido Belcanto. Ook wil hij al jaren een boek over de dood maken, maar betaald opdrachtwerk houdt hem hiervan af.

Bij de Marten Toonderprijs – vernoemd naar de beroemde stripmaker van onder meer Olivier B. Bommel en Tom Poes – hoort een overzichtstentoonstelling en een geldbedrag van €25.000. Een welkome aanvulling op het stripmakersalaris. ‘Ik heb nog nooit zoveel geld gehad,’ zegt Pontiac. ‘Schraalhans is hier keukenmeester dus het is ontzettend fijn om nu eens een financieel buffertje te hebben.’

9 september krijgt Pontiac de prijs op het nieuwe Stripfestival Breda. Vorig jaar werd ‘de Marten’ voor het eerst aan Jan Kruis gegeven.

Peter Pontiac wint Marten Toonderprijs 2011

Monday, May 2nd, 2011

Peter Pontiac (1951) krijgt dit jaar de Marten Toonderprijs, een oeuvreprijs die wordt uitgereikt aan een stripmaker die een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan het beeldverhaal.

Pontiac heeft met Kraut de beste Nederlandse graphic novel getekend én geschreven. Zijn werk is vernieuwend. Hij heeft iets aan de Nederlandse strip toegevoegd wat er nog niet was: een combinatie van schrijver- met kunstenaarschap – laat de jury via een persbericht weten.

Foto: Marco Bakker

Pontiac begon in undergroundbladen in Nederland en in Spanje en Amerika, zoals Modern Papier en Tante Leny Presenteert. In het blad Gummi publiceerde hij autobiografisch getinte strips over zijn drugsverslaving.

De prijs wordt uitgereikt tijdens Stripfestival Breda in september dit jaar. Behalve een geldbedrag van 25.000 euro hoort bij de prijs een overzichtstentoonstelling in het Graphic Design museum Breda. De tentoonstelling opent op 9 september, de dag van de prijsuitreiking, en duurt tot 27 november 2011.

De jury bestond uit Robbert Ammerlaan, directeur van de Bezige Bij, Emily Ansenk, directeur van de Kunsthal in Rotterdam en René Windig, tekenaar van Heinz. Voorzitter van de jury was Lex ter Braak, directeur van het van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst (Fonds BKVB). Dit fonds heeft de prijs ook in het leven geroepen. Vorig jaar werd deze uitgereikt aan Jan Kruis.

Ik sprak Peter net aan de telefoon voor een kort artikel in het Parool morgen. Later dus meer over dit heugelijke nieuws.

Geslaagde uitreiking eerste Marten Toonderprijs

Saturday, February 27th, 2010

Veel bekende koppen uit de Nederlandse stripwereld waren vrijdag 26 februari aanwezig in de der Aa-Kerk te Groningen om stripmaker Jan Kruis te eren. Kruis kreeg daar de eerste Marten Toonderprijs uitgereikt voor zijn gehele oeuvre.

De Marten Toonderprijs, vernoemd naar de in 2005 overleden stripgrootheid, is een nieuwe oeuvreprijs van het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB), speciaal in het leven geroepen om een Nederlandse stripmaker te eren die een bijzondere bijdrage heeft geleverd aan de stripcultuur. De jury, bestaande uit cartoonist Peter van Straaten, Henk Kraima, directeur van de stichting CPNB en Meta Knol, directeur van Museum de Lakenhal te Leiden, was van mening dat Kruis ‘een onvervreemdbare bijdrage heeft geleverd aan het Nederlands Cultureel erfgoed. Iedereen kent immers de Rode Kater. De onderwerpen die Jan Kruis in Jan, Jans en de kinderen aansneed, waren eveneens heel Nederlands. Jan Kruis hield Nederland een spiegel voor.’

De Marten bestaat uit een bedrag van 25.000 euro en uit een speciaal album waarin zo’n tachtig striptekenaars en scenaristen een hommage brengen aan Kruis en zijn creaties.
De stripmaker is natuurlijk het meest bekend van de familiestrip Jan Jans en de Kinderen. Daarnaast maakt hij ook andere beeldverhalen, tekende hij als freelancer reclamewerk en schildert hij verdienstelijk portretten. Kruis legde enkele bekende Nederlanders vast op het canvas zoals Mies Bouman, Simon Carmiggelt, Peter van Straaten, de Oranjes, maar ook het gezin Kruis, dat tevens model stond voor de strip over de familie Tromp.

‘Ik wilde wat anders gaan doen.’
Vlak voor de officiële uitreiking sprak ik met de laureaat. Kruis liet weten dat hij niet had verwacht dat hij de eerste winnaar van de Marten Toonderprijs zou zijn. ‘Ik was erbij toen Plasterk bekendmaakte dat de prijs er zou komen, maar ik had geen idee dat de eer mij te beurt zou vallen. In een moment van hoogmoed laat je dat misschien in je gedachten voorbijgaan, iedereen mag immers dromen.’

Kruis tekende de avonturen van de familie Tromp vanaf 1970 voor de Libelle en stopte in 1999 met de wekelijkse strip. Een team van stripmakers van Studio Jan Kruis maakt de familiestrip tegenwoordig. Mist Kruis zijn creaties niet?
‘Jawel, maar ik heb ook een hoop ander werk. Daarnaast heb ik nog Jan Jan-strips gemaakt voor de Leprastichting, en daarvoor enkele leuke, lange reizen gemaakt. Daarna ben ik met Woutertje Pieterse begonnen. In september komt daar het tweede deel van uit. En dat vind ik ook weer een hele gebeurtenis.’ Kruis deed twee jaar over het tweede Pieterse-album, een bewerking van Multatuli’s klassieker.

Was op een gegeven moment de koek ook een beetje op met Jan Jans?
‘Nou dat heb ik al vanaf het begin gedacht. Maar op een gegeven moment ging Joop Wiggers (de uitgever van Jan Jans en de Kinderen, red.) met pensioen en de techniek begon te veranderen. Ik was inmiddels ook al 65 en wilde nog wel eens wat anders gaan doen.’ Kruis ging onder andere weer verder met portretschilderen. ‘In het maken van portretten heb ik altijd erg veel schik gehad. Ik ben Woutertje aan het voltooien en deze uitreiking moet even achter de rug. Dan ga ik mijn bureau opruimen en eens even nadenken wat ik dan weer ga doen. Ik wil nog wat portretten gaan maken en zo.’

Ben je tevreden met wat Studio Jan Kruis met je geesteskinderen gedaan heeft?
‘Ik zeg altijd dat ik er afscheid van genomen heb, ze zijn als het ware geëmigreerd en met de Marten Toonderprijs stonden ze na tien jaar weer bij me op stoep. Na zo’n tijd verandert iedereen een beetje en zij ook. Toch was het weer een plezierig weerzien.’

Het theater van Jan Kruis
Het programma vrijdagmiddag in de der Aa-Kerk bestond uit een introductie van de burgemeester van Groningen die eigenlijk geen strips leest behalve die van Jan Kruis natuurlijk (ja,ja) en een toespraak van Lex ter Braak, directeur van het Fonds BKVB die nog eens benadrukte dat het hier niet om een staatsprijs ging, maar dat de prijs voor stripmakers past in het rijtje van oeuvreprijzen voor beeldende kunst, vormgeving en architectuur. De middag werd op geluisterd met een optreden van Els Kruis en haar koor Tourdion en een vertoning van de korte film van John Croezen over Jan Kruis.

Na de officiële plechtigheden begaven de genodigden zich naar het Stripmuseum om de nieuwe tentoonstelling die Frans Le Roux over het oeuvre van Jan Kruis samenstelde, te openen. De tentoonstelling ‘Het Theater van Jan Kruis’ is te zien tot 5 september.

Volgens het scenario had Ronald Plasterk de prijs aan Kruis moeten overhandigen, maar die is minister af sinds de zoveelste val van een Kabinet Balkenende vorige week. ‘Hij heeft me vanochtend nog gebeld,’ vertelde stripintendant Gert Jan Pos, ‘en hij zei dat hij Jan Kruis een geweldige winnaar vond. Hij zei dat prijzen een winnaar eren maar dat sommige winnaars een prijs eren. En dat laatste is bij Jan Kruis het geval.’

Het belang van de Marten Toonderprijs
Stripmaker Jean-Marc van Tol was zeer in zijn nopjes met de uitreiking van de eerste Marten Toonderprijs : ‘Op een bepaalde manier is het een droom die uitkomt voor mij. Ik heb de prijs een paar jaar geleden al bedacht, en die droom is nu dus de waarheid geworden. Ik ben er heel blij mee. Ook dat we op zo’n locatie als deze er met deze prijs wat meer status aan de strip wordt geven.’

Het is ook niet niks, zo’n oeuvreprijs voor een Nederlandse stripmaker. Natuurlijk kent Nederland sinds 1974 de Stripschapprijs, maar die bestaat voornamelijk uit een warme handdruk en een eervolle vermelding. De Marten moet het stripmakervak meer prestige geven. Dat het een serieuze prijs is moet onder andere blijken uit het bedrag van 25.000 euro dat erbij hoort. ‘Dat geeft die prijs toch meer lading,’ zegt Pos. ‘Als je in Frankrijk de Prix Concours wint, dan krijg je maar een klein bedrag, maar met die prijs wordt je boek meteen een besteller. Met heel veel prijzen is dat niet het geval. Als er dan een flink bedrag bij hoort, wordt dat toch op de een of andere manier serieuzer genomen.’

Pos voegde toe dat Kruis een goede eerste winnaar is voor de Marten Toonderprijs. ‘Iedereen weet nu dat die prijs bestaat. En hij is aan een echte stripmaker gegeven. Een tekenaar van een traditionele strip.’

Plannen voor stimuleringsprijs
Zo’n oeuvreprijs roept de vraag op of er ook niet een prijs moeten komen om jong talent te stimuleren. Van Tol zat daar ook aan te denken: ‘Het probleem is natuurlijk dat de Stripschapprijs ook een oeuvreprijs is. Dan krijg je het verwijt dat de winnaars van die prijs bijna op volgorde de Marten Toonderprijs gaan winnen. Uiteraard vind ik dat mensen die aan het einde van hun carrière zitten zo’n geldbedrag verdienen, maar eigenlijk zouden we een prijs met een hoog geldbedrag ook moeten geven aan een jong talent dat het beste boek heeft gemaakt. Misschien kan dat ook wel.’
Wellicht hoeven we niet lang op zo’n aanmoedigingsprijs te wachten: ‘Daar zijn we wel mee bezig,’ zegt Pos. Maar meer wilde hij daar nog niet over zeggen.

Dit artikel is ook op de site van de Zone 5300 gepubliceerd. De foto’s zijn gemaakt door Natasja van Loon. (Behalve die van de exposite, die heb ik zelf gemaakt.)

Lees ook: