Posts Tagged ‘Stripintendant’

Crisis nekt Marten Toonderprijs

Tuesday, July 23rd, 2013
Gert Jan Pos geeft Jan Kruis de allereerste Marten Toonderprijs.

Gert Jan Pos geeft Jan Kruis de allereerste Marten Toonderprijs.

De Marten Toonderprijs, de oeuvre prijs die Nederlandse stripmakers moet eren, is na drie uitreikingen alweer verleden tijd. Dat meldt Stripschrift in het aankomende nummer:

Volgens het ministerie van Onderwijs, Cultuur & Wetenschappen hebben de betrokken cultuurfondsen hun taken voor de nieuwe beleidsperiode moeten aanpassen. Door de bezuinigingen moest bovendien het aantal prijzen worden teruggebracht. De Marten Toonderprijs is hiervan de dupe geworden.

De Marten Toonderprijs werd in het leven geroepen na stevig lobbywerk van een aantal mensen uit de stripwereld, waaronder de tekenaars Jean- Marc van Tol (Fokke & Sukke) en Hanco Kolk (Meccano), bij toenmalig minister van OC&W èn stripliefhebber Ronald Plasterk. Tot dan toe ontbrak er een staatsprijs om het Nederlandse stripverhaal te eren en te ondersteunen.

De Marten Toonderprijs werd officieel gefinancierd door het Fonds BKVB. Dit fonds ging op 1 januari 2012 op in het Mondriaan Fonds, maar er was nog wel geld gereserveerd voor de uitreiking in 2012. De subsidieactiviteiten, waaronder ook voor strips, vielen echter vanaf 2012 echter onder het Stimuleringsfonds voor Architectuur (SFA). Het SFA heet inmiddels Stimuleringsfonds Creatieve Industrie. Dit fonds bekommerde zich niet om de Marten Toonderprijs, die er een stille dood is gestorven, aldus Stripschrift.

In de afgelopen jaren ontvingen Jan Kruis, Peter Pontiac en Joost Swarte de prijs waar 25.000 euro mee gemoeid is en een overzichtstentoonstelling. Het is jammer dat een mooi initiatief nu alweer van het toneel verdwijnt. Als stripjournalist was ik altijd blij met een prijswinnaar, want dat gaf een mooie gelegenheid om eens met de stripmaker te spreken en zijn werk onder de aandacht te brengen. Dit soort grote prijzen zijn altijd goed voor een media-moment en dat soort momenten kan de Nederlandse strip mijns inziens goed gebruiken.

Nu meen ik me te herinneren dat er indertijd met Plasterk is afgesproken dat de Nederlandse regering garant zou staan voor in ieder geval de eerste vijf uitreikingen wat het geld betreft. Blijkt dus maar weer dat afspraken met politici zo weer kunnen veranderen. Zeker als er een vers kabinet is.

Toch maar even met Gert Jan Pos, voormalig stripintendant en tot drie keer toe de juryvoorzitter van de Marten Toonderprijs,  gebeld hoe dat precies zit.

‘Ja, dat klopt van die vijf uitreikingen, zegt Pos. ‘Er was overigens geen sprake van een deal hoor, er was meer een afspraak van “zo gaan we het doen.” Maar politici zeggen wel meer, zoals we beginnen niet meer aan een militaire missie in Afghanistan, bijvoorbeeld.’

Eerder vandaag werd Pos gebeld door persgroep Novum voor een reactie en daarin leek hij te zeggen dat alleen dit jaar de prijs niet zal worden uitgereikt, maar dat dit niet per se het einde van de Marten hoeft te betekenen. Concrete plannen heeft Pos niet in deze richting maar indertijd heeft het ministerie OC&W aan hem laten weten dat er subsidie aangevraagd moet worden door het stimuleringsfonds. En dat kan dus gewoon. Misschien is dit toch niet het einde van de Marten Toonderprijs. ‘Ik hoop dat het stimuleringsfonds Creatieve Industrie zal zeggen dat Stripschrift zich vergist. Het zou jammer zijn als de prijs verdwijnt want er zijn natuurlijk nog heel veel potentiële winnaars. Die winnaars moeten wel een geldbedrag krijgen, anders verschilt de Marten Toonderprijs niet van de oeuvreprijs van het Stripschap,’ aldus Pos.

Het fijne aan dat geldbedrag is natuurlijk dat een stripmaker een deel van zijn tijd vrij kan maken om aan een album te werken zonder per se opdrachten aan te hoeven nemen.

Update 24 juli:
Zelf heb ik de woordvoerder van het Stimuleringsfonds dinsdag niet meer te pakken gekregen. Hij is tot vrijdag op vakantie maar heeft wel het ANP te woord gestaan hierover:

Martijn Oskam, woordvoerder van het Stimuleringsfonds Creatieve Industrie liet dinsdagmiddag weten dat, met het afnemende beschikbare budget in het achterhoofd, is gekozen om projecten te ondersteunen die leiden tot nieuwe inzichten en het aanjagen van innovatie. Dus niet om bewezen talent te eren met een oeuvreprijs. Op die manier kan een nieuwe generatie zich ontwikkelen. (bron ANP/Nu.nl.)

Innovatie?
Ik ben benieuwd wat voor projecten men in gedachten heeft die innoveren. Wat mij betreft mag er wel een prijs komen voor stripmakers die al een tijd bezig zijn en hun talent hebben getoond, maar financieel een steun in de rug kunnen gebruiken. Geen prijs voor beginners, geen oeuvreprijs, maar iets als mid-career. Met een flink geldbedrag zodat die maker tijd vrij kan maken om een mooi stripproject te tekenen. Dat kan een album zijn of iets innovatiefs voor mijn part. Hoewel mijn voorkeur uitgaat naar een goed album, want daar trek je lezers mee. Als ze bij het Fonds dan toch willen innoveren moeten ze zich richten op de digitale verspreiding van strips. Daar valt nog een slag te slaan. Dat zou ook het bereik van het medium vergroten. Zelf lees ik het liefste strips nog van papier, maar natuurlijk vind ik het tof dat je ook op je tablet kunt lezen.

Waarom de Nederlandse strip achterloopt op de buren

Tuesday, July 2nd, 2013

Rudi de Vries bracht de ontwikkeling van Nederlandse stripuitgeverijen in kaart. Waarom loopt de Nederlandse stripcultuur achter op de Belgen en Fransen?

Rudi de Vries

Rudi de Vries

‘Het huidige Nederlandse striplandschap is heel divers, met veel kleine uitgeverijen die hun best moeten doen om te overleven. Dat lukt deels omdat ze een deel van hun product kunnen afzetten in Vlaanderen, want Nederland is maar een kleine markt. Gezien de huidige economische crisis kan het bijna niet anders dan dat een aantal uitgevers zullen sneuvelen,’ aldus dr. Rudi de Vries, die eind november vorig jaar promoveerde aan de Rijksuniversiteit Groningen met zijn studie naar de Nederlandse en Belgische stripcultuur.
Comics and Co-evolutions – A study of the Dynamics in the Niche of Comics Publishers in the Low Countries, heet het proefschrift waarin De Vries (Den Haag, 1961) de bedrijfskundige theorie van de co-evolutie toepast op de ontwikkeling van stripuitgeverijen in Nederland en België.

Wat is het belang van je onderzoek voor je vakgebied?
‘Ik heb bestaande theorieën versterkt door ze met elkaar te combineren, waardoor duidelijk is geworden waar de zwakke en sterke punten liggen. De co-evolutionaire theorie komt uit de biologie. Planten- en diersoorten die zich in de loop der duizenden jaren op elkaar afstemmen kunnen daardoor overleven. Zo kun je ook naar organisaties kijken, zoals uitgevers. Die kunnen zich aan elkaar aanpassen en aan actoren waar ze van afhankelijk zijn, bijvoorbeeld tekenaars. Uit eerder onderzoek leek het erop dat alle organisaties één richting op evolueren, maar ik laat zien dat er in bepaalde bedrijfstakken meerdere co-evoluties tegelijkertijd kunnen plaatsvinden.’

Kun je een voorbeeld geven?
‘In een van de casussen kijk ik naar Dupuis, een grote Belgische commerciële uitgeverij die naast strips ook tijdschriften uitgaf. Toen de striptijdschriften langzaamaan verdwenen, hebben ze zich meer moeten richten op het uitgeven van albums. Door de opkomst van het stripalbum kwamen er ook uitgeverijen gespecialiseerd in strips die zich op niches richten, van graphic novels tot erotische strips. De grote uitgeverijen, vaak gericht op een groot publiek, namen het gedrag van de specialisten over en gingen zich ook deels richten op de artistieke strip en auteurstrip. Ze veranderden hierdoor van generalist in polymorphist.’

Robbedoes, Kwabbernoot en Pip.

Robbedoes, Kwabbernoot en Spip.

Waarom blijft de Nederlandse stripcultuur zo achter ten opzichte van andere landen? In Frankrijk is de strip heel groot, terwijl het in Nederland maar een nichemarkt is.
‘In mijn onderzoek vergelijk ik Nederland vooral met België en Frankrijk. Dat zijn echte striplanden die internationaal veel invloed hebben gehad op het medium door de clans rond Hergé en rond het tijdschrift Robbedoes met Franquin en soortgenoten. In Nederland heb je heel lang Marten Toonder gehad die generaties tekenaars onder zijn hoede nam en opgeleidde. De Nederlandse uitgeverijen nemen vaak eerder genoegen met vertalingen. Dat is makkelijker en levert eerder geld op dan investeren in Nederlands talent. Dat is deels ook te verklaren door de beperkte omvang van de markt, want die is voor Nederlandse uitgevers veel kleiner dan die van hun Waalse en Franse collega’s, die hun product ook in het buitenland kunnen afzetten. Sinds de jaren zestig is het stripaanbod dat in Nederland uitkomt voor twintig procent door Nederlanders gemaakt. Eenzelfde percentage komt uit Vlaanderen, de rest zijn vertalingen. Het is voor een Nederlandse uitgeverij veel goedkoper vertalingen uit te geven dan te investeren in Nederlands talent, wat veel risico met zich meebrengt. Bovendien kun je die buitenlandse strips selecteren die daar goed verkopen. De kans is dan al groter dat het hier ook een succes wordt.’

bommel_tompoesJe impliceert in je proefschrift dat dit ook te maken heeft met de culturele identiteit van landen.
‘Uit mijn onderzoek blijkt dat ook in de stripsector Nederland snel geneigd is compromissen te sluiten. In België is men eigenzinniger. Dat geldt zowel voor Wallonië als voor Vlaanderen. Vlaanderen wil zich onderscheiden van Wallonië door een eigen cultuur te hebben. Dat zie je terug in de Vlaamse strips die een volkser karakter hebben dan de Waalse strips.’

Ik heb het idee dat de strip in Nederland een slechte reputatie heeft.
‘Relatief gezien is het aantal mensen dat in Nederland een stripalbum leest veel lager dan in Frankrijk in België. Dat aantal is sinds de jaren negentig ook sterk teruggelopen. De diepere oorzaken hiervoor heb ik in mijn onderzoek niet durven aan te stippen omdat dat bijna niet te meten is. Wat ik van veel geïnterviewde uitgevers en tekenaars heb gehoord, is dat er een algemeen cultuurverschil is. Er is meer belangstelling voor het beeld in katholiekgetinte landen zoals Frankrijk en Wallonië. In een meer calvinistisch land als Nederland is het woord belangrijker. In Frankrijk is verstrooiing en je amuseren eerder geaccepteerd dan hier. Historisch gezien wordt de strip daar ook veel meer als cultureel erfgoed gezien.’

De laatste jaren is er veel stimulans geweest voor het beeldverhaal. Er was tweeëneenhalf jaar een stripintendant, er is een beroepsvereniging en een HBO-opleiding voor stripmakers gekomen. Dat wijst op een professionalisering van de sector, maar als ik jouw verhaal hoor, dan heeft al die moeite zich nog niet uitbetaald in meer Nederlandse producties ten opzichte van vertaalde strips.

Gert Jan Pos geeft Jan Kruis de allereerste Marten Toonderprijs.

Gert Jan Pos geeft Jan Kruis de allereerste Marten Toonderprijs.

‘Over het geheel bekeken niet, maar als de subsidies en de intendant er niet waren geweest dan was het aandeel Nederlandse strips en strips van nieuwe tekenaars misschien nog veel kleiner geworden. Door de subsidies is het voor tekenaars mogelijk om zich een halfjaar af te zonderen en aan een album te werken zonder dat ze commerciële opdrachten hoeven doen. En voor uitgeverijen is het ook nu mogelijk om zo’n boek uit te geven.’

Wat heeft de intendant naar jouw inzicht bijgedragen aan de ontwikkeling van de Nederlandse strip?
‘Ik denk dat hij vooral goed is geweest voor de promotie van de strip. Door in Nederland en het buitenland te laten zien dat er hier heel veel gebeurt. Dat er veel jonge, ambitieuze striptekenaars zijn die echt wat te melden hebben. Dat sijpelt direct door, in albums, maar ook indirect door de aandacht die de strip in de media krijgt.
Maar je kan in twee jaar niet alles aanpakken. Om de relatief kleine markt te vergroten moet je ook Nederlandse strips in het buitenland slijten. Dat heeft de intendant ook wel geprobeerd in Barcelona, maar het was nog mooier geweest als ze eens naar het belangrijkste stripfestival in Europa, Angouleme, zouden gaan. Dat is met Vlaamse tekenaars gebeurd, en dat heeft veel opgeleverd. Als je werk in het buitenland vertaald krijgt, kunnen de makers er beter van leven dan alleen de opbrengsten in Nederland. Het feit dat uitgevers moeilijk hun strips in de winkels en kiosken krijgen blijft een zwak punt. De intendant heeft het distributieprobleem niet aangepakt en is daar ook op aangevallen.’

Is de graphic novel de redding van de Nederlandse strip?
Typex_Rembrandt-cover‘De graphic novel is als label deels een marketingstrategie, maar is ook meer dan dat: de inhoud is kunstzinniger en meer literair dan die van een traditioneel genre-album; de albums worden in het formaat van reguliere boeken geproduceerd waardoor ze beter passen in de boekenkasten van boekhandels. Als de stripromans worden uitgegeven door literaire uitgevers, dan hebben die ook sneller geloofwaardigheid in de literaire sector. Graphic novels zijn niet alleen maar in stripspeciaalzaken te koop maar staan ook in de reguliere boekhandel, waardoor ze onder ogen van een breder publiek komen. Dat kan de overlevingskansen van de strip vergroten.’

Ik hoor uitgevers ook klagen dat boekhandelaren niet weten hoe ze de graphic novel in de markt moeten zetten. Er is zelfs een folder uitgegeven om de boekverkopers uit te leggen wat een graphic novel is.
‘Ik denk, gezien de malaise in de boekwereld, dat maar een klein deel van de boeken goed verkoopt. Het merendeel is toch voor een nichepubliek bedoeld.’

Hoe ziet het huidige striplandschap er tegenwoordig uit volgens jou?
‘Heel divers, maar er zijn vooral veel kleine uitgeverijen die echt hun best moeten doen om te overleven. Het kan bijna niet anders dat er een aantal zullen sneuvelen. En dankzij het feit dat ze nog een beetje kunnen afzetten in Vlaanderen, bestaan ze nog, anders waren ze waarschijnlijk al gesneuveld. Het is te hopen dat ze het blijven volhouden en dat de economische crisis ophoudt.
Digitale vormen van strips zijn in opkomst. Men is nu aan het experimenteren om strips zo om te zetten dat ze op een tablet of mobieltje passen. De Standaard Uitgeverij is daar heel snel mee begonnen door Suske en Wiske in die vorm aan te bieden. Maar ook de Amerikaanse uitgeverijen. Dus ik vermoed dat de Nederlandse uitgeverijen daar ook mee bezig moeten gaan. Tegelijkertijd denk ik dat er altijd wel belangstelling voor het gedrukte stripboek zal blijven bestaan. Het zal allemaal kleiner worden. Maar dat soort zaken heb ik in mijn onderzoek niet meegenomen. Het gros van het onderzoek eindigt voor de crisis, maar als je het hebt over de situatie van nu, dan ziet het er inderdaad weinig rooskleurig uit.’

Wat kunnen Nederlandse stripmakers en uitgevers leren van je onderzoek?

Barbara Stok en Jean-Marc van Tol tijdens de opnames van 'Beeldverhaal'. Bron: Human Factor

Barbara Stok en Jean-Marc van Tol tijdens de opnames van ‘Beeldverhaal’. Bron: Human Factor

‘Dat je als tekenaar wel degelijk invloed blijkt te kunnen uitoefenen. Eind jaren negentig heeft Joost Swarte de strip onder de aandacht gebracht bij het Fonds BKVB zodat er subsidies voor strips kwamen. Daarna trokken Jean-Marc van Tol en Hanco Kolk aan de noodbel en is er nog een prijs bijgekomen en intendant. Deze acties van stripmakers hebben dus veel opgeleverd: subsidiemogelijkheden, prijzen en aandacht vanuit de media. Ook een mooi voorbeeld zijn tekenaars zoals Moebius en generatiegenoten die in de jaren zeventig begonnen te werken als autonoom kunstenaar. Dat heeft toch ook veel gevolg gehad onder tekenaars en uitgeverijen, onder andere heeft dat er uiteindelijk voor gezorgd dat grote uitgeverijen zich helemaal of deels hebben moeten aanpassen. En dat kon alleen omdat het publiek daarin meeging. Het publiek werd volwassener en wilde ook die auteursalbums lezen. Maar als die tekenaars daar zelf niet mee waren begonnen, was dat nooit gebeurd. Dat betekent dus dat je als idealistische uitgever of als tekenaar best wat kan bewerkstelligen. Dat kan niet geheel solo, er moeten wel mogelijkheden zijn in de markt, en je moet zelf meerdere rollen kunnen vervullen. Neem Joost Swarte, die is tekenaar, kunstenaar en vormgever, en daardoor had hij ook makkelijk ingang bij het Fonds voor de beeldende kunst. Jean-Marc van Tol is ook zo’n figuur die meerdere rollen kan vervullen.
Kortom: blijf actief, alert en maak gebruik van de mogelijkheden die er zijn. Wees ook niet te pessimistisch.’

Dit artikel is geschreven in opdracht van de VPRO Gids.

X was hier: Met telefoon, video en strip terug in de tijd

Thursday, June 9th, 2011

Het Nationaal Historisch Museum ligt onder vuur. Toch is er een nieuw project: X was hier. Op 45 historische locaties komt de geschiedenis tot leven met behulp van video’s en stripverhalen.

‘Geschiedenis is overal. Ver weg, dichtbij, maar altijd op een plek,’ zegt historicus en literatuurcriticus Hans Goedkoop in de introductievideo van X was hier. In dit nieuwe project wil het Nationaal Historisch Museum (NHM) jaarlijks maximaal vijftig historische locaties toegankelijk maken aan de hand van een thema van de Maand van de geschiedenis. Oktober vorig jaar was het thema land en water.

Begin dit jaar selecteerde de redactie van X was hier rond dit thema 45 locaties waar een bijzonder verhaal aan verbonden is.
‘Het doel van het NHM is om zoveel mogelijk mensen te bereiken, historisch besef bij te brengen en geschiedenis onder de aandacht te brengen. Met X was hier willen we duidelijk maken dat geschiedenis overal om ons heen is en dat je er niet perse voor naar een instelling hoeft,’ aldus Elisabeth Wiessner, communitymanager bij het NHM.
Elke locatie heeft een uniek symbool dat als marker in het landschap staat. Dit symbool kan met de iPhone gescand worden om toegang te krijgen tot een video waarin Hans Goedkoop uitlegt welke belangrijke historische gebeurtenis er op die plek heeft plaatsgevonden.

Martijn van Santen over het slachtveld in Ane Overijssel.

Bijvoorbeeld het dorpje Ouwerkerk waar in 1953 een enorm gat in de dijk werd geslagen tijdens de watersnoodramp en Fort Pampus, een militair fort uit 1895 dat onderdeel uitmaakt van de Stelling van Amsterdam. Ook buitenlandse locaties als de vulkaan Mount Scenery op het eiland Saba, het hoogste punt van de Nederlanden, komen aan bod.

Van nul tot nu 2.0
Naast de video is er extra informatie beschikbaar: teksten, foto’s én een strip. ‘We willen met de strip een nieuwe doelgroep aanspreken, namelijk mensen tussen de twintig en veertig, die doorgaans te druk met gezin en carrière zijn om aan museumbezoek toe te komen. De strip zal als beeldtaal meer mensen aanspreken dan oude foto’s of filmpjes. De doelgroep is bekend met strips, iedereen kent de geschiedenisserie van Nul tot nu.’

Gert Jan Pos, stripintendant van het Fonds voor Beeldende Kunsten, vormgeving en bouwkunst, benaderde de stripmakers. Hij selecteerde oudgedienden als Eric Schreurs en Hanco Kolk afgewisseld met jong talent als Merel Barends en Martijn van Santen. De makers kregen de basisinformatie van het museum, daarbij zochten ze vaak zelf naar aanvullende informatie en bezochten sommigen ook de historische locaties.

Potje schaak
Hoewel het eindresultaat wel enige aansluiting moest hebben met het basisverhaal, waren de stripmakers verder vrij om hun eigen interpretatie hierop los te laten. Dit leidde tot 45 heel diverse één-pagina-strips over grote gebeurtenissen en persoonlijke verhalen in uiteenlopende tekenstijlen. Sommige beeldverhalen blijven dicht bij de historische gebeurtenis, zoals Hanco Kolks geschiedenisles over de stichting van Nieuw Amsterdam dat later New York werd. Anderzijds laat Jeroen Funke zijn vaste dierfiguur Victor de rol van Hugo de Groot spelen. In Funkes eigentijdse versie ontsnapt De Groot niet uit Slot Loevestein, maar gebruikt hij zijn boekenkist om beste vriend Vishnu naar binnen te smokkelen zodat ze samen kunnen schaken.

(Klik 2X voor grotere versie.)

‘In de praktijk zie je dat veel stripmakers een stukje uit het script hebben gehaald en dat hebben benadrukt. Soms is het een aanvulling op wat wij vertellen,’ zegt Wiessner. Peter Pontiac verwerkte bijvoorbeeld krantenartikelen die hij vond tijdens zijn onderzoek in de Koninklijke Bibliotheek. Pontiac tekende het verhaal van Klaas Bording en zonen voor wie een dagje ijsvissen bij Vollenhove in Overijssel in 1849 uitliep op een drama: het ijs brak, waardoor de vissers 14 dagen op een ijsschots ronddreven voor ze werden gered.

Eigen verhaal
Gisteren zijn alle symbolen op de locaties  aangebracht en is X was hier echt begonnen. Momenteel is de App alleen op de iPhone beschikbaar, volgend jaar hoopt het NHM dit uit te breiden naar andere smartphones. De geschiedschrijving staat ook op de site Xwashier.nl, waar bezoekers hun eigen verhaal kunnen toevoegen of op dat van een ander kunnen reageren. ‘Wij nemen het grote verhaal van de geschiedenis voor ons rekening, maar je kunt het ook heel persoonlijk maken. Wij willen laten zien dat er over geschiedenis verschillende verhalen kunt vertellen.’ Het is de bedoeling dat er volgend jaar weer maximaal 50 locaties worden gekozen.

Dit artikel is in Het Parool van donderdag 9 juni gepubliceerd.

Video: Jeroen Funke wint de Jan Hanlo Media-Essayprijs

Wednesday, May 18th, 2011

Dinsdagavond werd de Jan Hanlo Essayprijs uitgereikt in Theater MC in Amsterdam. Stripmaker Jeroen Funke won de Media-Essayprijs.

Dit jaar werd er voor het eerst een prijs uitgereikt voor een media-essay. Dankzij inspanningen van Gert Jan Pos, intendant van het Fonds voor beeldende kunsten, vormgeving en bouwkunst, ging het om een essay in stripvorm. Maar liefst 42 stripmakers stuurden een strip in rond het thema zintuigen, afgeleid van een uitspraak van Hanlo:

‘De mensen van vandaag zijn nu eenmaal vooral op het ‘zien’ ingesteld. Ik wil de wereld alleen maar een goede raad geven: vergeet de andere zintuigen niet. Afgesproken?! O.K.’

Jeroen Funke won de prijs van 1.500 euro voor zijn strip Spruitjes, bier, leverworst, waarin hij zijn helden Victor en Vishnu laat optreden. In de video legt de stripmaker uit waar het essay over gaat en of hij de smaak van het stripessay te pakken heeft.

De tien beste inzendingen zijn gebundeld in een boek dat in 500 exemplaren is gedrukt maar helaas niet in de winkel verkrijgbaar is. Het werd wel uitgedeeld aan de aanwezigen. Behalve die van Funke staan er strips in van Bas Köhler, Gerrie Hondius, Albo Helm, Jeroen de Leijer, Sam Peeters, Wouter Gresnigt & Kasper Peters, Milan Hulsing en Margreet de Heer.

De Jan Hanlo Essayprijs Klein, voor een niet eerder gepubliceerd essay, ging dit jaar naar Mirjam Hommes voor haar essay Brein. Joke J. Hermsen mocht voor haar essaybundel Stil de tijd de Essayprijs Groot mee naar huis nemen.

In 1999 werd na de dertigste sterfdag van schrijver Jan Hanlo de eerste Jan Hanlo Essayprijs uitgereikt.

Mooi is dat! krijgt vervolg

Saturday, April 9th, 2011

Toen ik Gert Jan Pos vorig jaar sprak over Mooi is dat!, het boek vol met verstrippingen van Nederlandse en Vlaamse literatuur, zei hij al dat hij zat te denken aan een vervolg, maar dit keer met verstrippingen van films. Dat vervolg gaat er komen.

De titel Wat zien ik? verwijst naar de film van Paul Verhoeven uit 1971. Het boek zal éénpagina-verstrippingen bevatten van Nederlandse speelfilms. Net als bij Mooi is dat! mogen de stripmakers kiezen uit een lijst met honderd titels. Deze lijst is samengesteld uit de favorietenlijstjes van vijfentwintig filmkenners. Verschil met de vorige keer: dit keer doen er geen Vlaamse stripmakers mee.

Pos, stripintendant bij het Fonds BKVB, werkt voor dit project samen met de animatie-intendant van het Filmfonds, het Nederlands Filmfestival en Eye Film Instituut.

Aan Jos van der Burg in de Filmkrant laat Pos weten dat we het boek niet voor het Nederlands Film Festival in september mogen verwachten. Zelf zwaait hij in oktober af als intendant.

Auteur Tommy Wieringa was erg te spreken over de verstripping van Joe Speedboot in Mooi is dat!. Hieronder een video van zijn speech tijdens de opening van de expositie over Mooi is dat! in de OBA.

Daily Webhead: Tommy Wieringa spreekt op expositie “Mooi is dat!” from Michael Minneboo on Vimeo.

  • Ben je stripliefhebber en wil je alleen mijn berichten over strips lezen? Volg dan deze rss-feed.

Video: Tommy Wieringa spreekt op opening expositie ‘Mooi is dat!’

Monday, November 15th, 2010

Zaterdag 13 november werd de expositie van het boek Mooi is dat! in de OBA geopend. Auteur Tommy Wieringa sprak de menigte toe en vertelde waarom hij zo in zijn nopjes was met de verstripping van zijn roman Joe Speedboot. Stripmeester Peter Pontiac wist zijn roman perfect in één pagina te vatten, vindt de auteur.

Ik was erbij en schoot een video’tje met mijn cybershotje:

Daily Webhead: Tommy Wieringa spreekt op expositie “Mooi is dat!” from Michael Minneboo on Vimeo.

Nu bestond de opening uit meer dan alleen de gevatte speech van Wieringa. Toch heb ik ervoor gekozen om de video te concentreren op dit praatje. Speeches zijn normaliter saai om terug te kijken op video – soms zelfs alleen noodzakelijk kwaad om bij te wonen. Het verhaal van Wieringa vond ik een duidelijke uitzondering op de regel. Ik heb me er geen seconde bij verveeld, vandaar dus dat ik het als onderwerp van de video heb genomen. Montage vereist immers dat je keuzes maakt.

De moderne uitvoering van het mirakelspel Mariken van Nimwegen, bijzonder vermakelijk uitgevoerd door de mannen van Lamelos, zit dus niet in de video. De toespraak van de directeur van de OBA en die van Gert Jan Pos evenmin. Maar wie ook op de boekpresentatie op de KunstStripbeurs in Utrecht was, kende de toespraak van Pos al. (Zie ook deze video.)

Wellicht maak ik van Lamelos nog een apart video’tje, want het beeld van Jeroen Funke in een duivelspak inclusief megagrote dongel wil ik jullie niet onthouden.

De tentoonstelling blijft tot 16 januari 2011 in de Amsterdamse bibliotheek te zien en zal daarna langs meerdere plekken reizen, waaronder het Stripmuseum in Brussel.

Mooi is dat! bij de NOS

Friday, November 5th, 2010

Dinsdag 2 november had NOS Headlines een item over het boek Mooi is dat! dat morgen op de Kunststripbeurs in Utrecht wordt gepresenteerd. Ik sprak Gert Jan Pos, intendant strips bij het Fonds BKVB eerder al over dit boek waarin 57 Nederlandse en Vlaamse literaire titels zijn verstript, ieder in één pagina.

Ook was er deze week een voorpublicatie van het boek in de NRC Next, dezelfde krant waar eerder ook de finalisten van de Benelux Beeldverhalen Prijs werden tentoongesteld. De prijs is in het leven geroepen door Pos, uitgeverij De Vliegende Hollander en nrc.next. Eerder dit jaar was er ook aardig wat media-aandacht voor het feit dat Nederland gastland was op FICOMIC, de grote stripbeurs in Barcelona, waar een delegatie stripmakers naar afreisde. In dat opzicht kun je stellen dat Pos met zijn stripprojecten aardig wat aandacht weet te generen, een van de taken die hij meekreeg bij zijn aanstelling als intendant in mei vorig jaar.

Ik ben benieuwd of alle media-aandacht voor Mooi is dat! ook daadwerkelijk tot een goede verkoop gaan leiden. Dat moeten we nog even afwachten. In ieder geval liggen er 6.000 exemplaren klaar.

Mooi is dat!: Eenpaginaklassiekers

Tuesday, November 2nd, 2010

In Mooi is dat! zijn 57 literaire klassiekers elk in één pagina verstript. Het koffietafelboek wordt zaterdag 6 november tijdens de Kunststripbeurs op het HAFF gepresenteerd. Een interview met Gert Jan Pos: ‘Er zit geen slechte pagina tussen!’

Mooi is dat! bevat 57 uiteenlopende verstrippingen van Nederlandse en Vlaamse klassiekers. De stripmakers, waaronder 14 Vlaamse, kregen de opdracht om een literair meesterwerk in één geïllustreerde pagina te vatten. In ieder geval moest het verhaal duidelijk zijn. Initiatiefnemer Gert Jan Pos, stripintendant van het Fonds BKVB, deed samen met Pieter Steinz en Rienk Tychon de redactie van het boek. Steinz, chef NRC Boeken, schreef per titel een begeleidende tekst over het verhaal en de publicatiegeschiedenis van het boek. De stripintendant aan het woord:

Wat is het idee achter deze uitgave?
‘Het is een staalkaart van Nederlands en Vlaams talent op stripgebied. Ook hoop ik een einde te maken aan al dat geklets over literaire verstrippingen. Men denkt daarbij meteen aan De Avonden van Dick Matena, de stripversie waarin de tekst van Reve integraal werd gebruikt, maar zo hoeft het natuurlijk helemaal niet. De bundel laat dus zien hoe het óók kan. Wat betreft aanpak en stijl is het een heel uiteenlopende uitgave geworden. Soms heeft een stripmaker het hele boek samengevat in één pagina, anderen hebben één scène verkozen tot sleutelscène.’

Door de vrije interpretaties is het als uittrekselboek niet echt geslaagd.
‘Ik zie ook wel dat het op sommige punten wel heel erg artistiek en los is geworden. Het is daardoor niet geschikt voor op school, dat was leuk geweest, want dan gaat de oplage meteen omhoog.’

De eerste druk bestaat uit zesduizend exemplaren. Wie hoop je ermee te bereiken?
‘Ik denk dat mensen die in literatuur geïnteresseerd zijn wel willen zien hoe hun favoriete boek is verstript. Ook hoop ik dat men uit nieuwsgierigheid de oorspronkelijke boeken gaat lezen om de tekeningen beter te begrijpen. Om het boek te promoten is er een bijbehorende reizende expositie die 13 november in de OBA wordt geopend door Tommy Wieringa. Mooi is dat! wordt al veel besteld door boekhandelaren. Misschien wordt het meteen wel een bestseller.’

Als dat het geval zou zijn, wat is dan de volgende stap?
‘Ik ben in gesprek met het EYE Film Instituut en het Filmfonds om iets met Nederlandse speelfilms en strips te doen. Maar hoe we dat gaan aanpakken weet ik nog niet. Misschien laten we dan per film een filmaffiche maken.’

Voor een staalkaart mis ik wel bepaalde namen. Hoe zijn de stripmakers geselecteerd?
‘Ik heb alle stripmakers die ik goed vind gevraagd. Sommige mensen hebben afgezegd wegens tijdgebrek of omdat ze er geen zin in hadden. Ik had Judith Vanistendael er graag in gehad en Hanco Kolk. Ik vind het te pikant om te vertellen wie ik niet heb gevraagd.’

Loop je zo niet het risico dat sommige mensen zeggen dat de favorieten van Pos weer een klusje hebben gekregen?
‘Als stripintendant mag ik zeggen wie ik goed vind en me daarop concentreren. Als mensen erover willen discussiëren dan is dat prima. Ik ben daar heel open over. Binnen elke culturele kring is er natuurlijk wel sprake van een onuitgesproken hiërarchie. Onderling weet iedereen eigenlijk wel wie de beste is.’

'Het lied der dwaze bijen' door Jan Cleijne

Hoe zijn de titels geselecteerd?
‘De stripmakers mochten kiezen uit een lijst waar ik de, in mijn ogen, honderd belangrijkste titels uit de Nederlandse literatuur op heb gezet. Pieter Steinz heeft daar nog wat aan toegevoegd en we hebben overlegd met het Nederlands en het Vlaams Fonds voor de Letteren. De Aanslag stond wel op de lijst, maar is niet gekozen door de stripmakers. Daar zit dus verder geen plan achter.’

Er zitten opvallend veel oude teksten van voor de twintigste eeuw tussen.
‘Middeleeuwse verhalen zijn het beste om te verstrippen want het zijn heel mooi afgeronde verhalen. Karel ende Elegast is net een Suske en Wiske-verhaal. De Avonden verstrippen is toch iets ingewikkelder, al staat die er gelukkig wel in.’

Dit artikel is gepubliceerd in VPRO Gids #44.

Stripster doet het op z’n Spaans

Tuesday, September 14th, 2010

De nieuwssite StripSter bestaat tien jaar. Dat wordt onder andere gevierd met enkele specials. En daar wil ik best even reclame voor maken.

StripSter bevat nieuwsberichten over de Nederlandse en Vlaamse strip. Ook biedt men tekentalent een podium. De site wordt gecoördineerd door Henk Schouten. 1 augustus 2000 ging StripSter officieel online.

De meest recente special gaat over strips in Spanje. De Spaanse pepers zitten kennelijk nog in de lucht van het schoolreisje van intendant Gert Jan Pos naar FICOMIC eerder dit jaar.

Voor de special hebben 14 grote Spaanse striptekenaars werk ingestuurd, zoals José Luis Munuera, Paco Roca, Bartolomé Seguí, Jaime Martín. Volgens StripSter is het werk nog nergens anders verschenen. Wie meer wil weten over de strip in Spanje, leest het artikel ‘Striptekenaar in Spanje‘ van Santiago Martin. Martin is een van de redacteuren van de site en tekenaar. Tot slot hebben enkele Nederlandse tekenaars impressies van Spanje getekend.

Kickboksende Marokkaanse meiden verstript

Wednesday, August 25th, 2010

In Chicks, Kicks and Glory staan de levensverhalen van kickboksende Marokkaanse meiden centraal, verbeeld door zeven stripmakers.

Kickboksen lijkt in eerste instantie een mannensport. Toch is deze vechtsport erg populair onder meiden van Marokkaanse komaf. Stripmakers Peter Pontiac, Farida Laan, Maaike Hartjes, Mike Kok, Sandra de Haan en het duo Henrike Olasolo en Christina Richarte verstripten in korte verhalen de ervaringen van kickboksende Marokkaanse meiden. De expositie van deze strips is het speerpunt van het multidisciplinaire project Chicks, Kicks and Glory van Imagine IC, dat ook een dansvoorstelling en striptekenworkshops omvat.

Aan de basis ligt een verkennend onderzoek van antropoloog Jasmijn Rana, onderzoeker aan het Amsterdam Institute for Social Science Research van de UvA en projectmanager bij Imagine IC in Amsterdam Zuidoost. ‘Ik wilde vooral onderzoeken hoe deze meiden tot de keuze komen om te gaan kickboksen. Wat hun motivatie is,’ vertelt Rana.

Blauwe plekken
Toen de antropologe de sportschool bezocht, viel het haar op een gegeven moment op dat er relatief veel Marokkaanse vrouwen het kickboksen beoefenen. Om dit verder te onderzoeken is ze, in het kader van participerende observatie, zelf ook gaan kickboksen. ‘Het is bij zo’n lichamelijk onderwerp belangrijk dat je ook zelf doet. Je kunt wel over kickboksen praten, maar als je het zelf niet hebt meegemaakt en gevoeld hebt, wie ben je dan om daar iets over te zeggen?’ Het kickboksen gaat haar steeds beter af. Lachend: ‘Ik ben geen beginner meer en heb minder blauwe plekken dan toen ik begon. Ik krijg wel eens in de training het verwijt dat ik er niet met mijn hoofd bij ben, maar dat ben ik natuurlijk op een heel andere manier. Ik probeer namelijk ook in de gaten te houden wat er om me heen gebeurt.’

Rana voerde haar onderzoek uit op kickboksscholen en clubs in onder andere Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, en de Marokkaanse steden Rabat en Berkane. Nadat ze zich bekend had gemaakt als antropoloog, voerde ze informele gesprekken en interviews met verschillende kickboksters die ze daar had leren kennen. ‘De kleedkamer is een goede plek om informatie op te doen,’ vertelt Rana. ‘Het is een vrij moeilijke groep om interviews mee te voeren. Vaak haken ze af als je met een taperecorder aan komt. Ik heb die meiden vooral goed leren kennen door bijvoorbeeld met ze te gaan shoppen en met ze te hangen in de stad. Dat werkte heel goed.’ Verder interviewde ze wethouders en eigenaren van sportscholen.

Fragment van de strip van Sandra de Haan

De populariteit van kickboksen heeft volgens de antropologe deels te maken met het feit dat het relatief veel wordt aangeboden in de directe leefomgeving, via buurthuizen bijvoorbeeld. ‘Het is een populaire sport in Marokko en veel Marokkaanse jongens in Nederland doen aan kickboksen. Veel meisjes kennen de sport dus via een bekende. Sport is ook vaak gerelateerd aan klasse, een bepaalde groep doet nu eenmaal een specifieke sport graag. Ook is kickboksen een relatief goedkope sport.’

Hoewel voor de dames een belangrijke motivatie het krijgen van een gezond en strak lijf is, speelt ook vaak een rol dat de ouders bepaalde sporten afkeuren. ‘Sommige meiden zouden wel een andere sport willen doen, maar dan hebben de ouders daar een probleem mee. Voor zwemmen moet je een zwempak aan en voor hockey een kort rokje. Ze kiezen daarom liever voor een sport waar de vrouwen apart kunnen trainen of waar ze hun eigen kleding kunnen kiezen.’

Ook de mededeling dat ze willen kickboksen wordt niet altijd met open armen ontvangen. De dames gaan op verschillende manieren met deze weerstand uit de omgeving om. Een deel kiest ervoor niet te gaan sporten om de wens van hun ouders te respecteren, anderen nemen hun moeder mee naar de training om te laten zien wat er gebeurt. Rana: ‘Wanneer een moeder bezwaar maakt omdat haar dochter islamitisch is, komen sommige meisjes met argumenten uit de islam. De profeet heeft gezegd dat je voor lichaam en geest moet zorgen en daar hoort sport ook bij.’

Verstrippen
Rana wilde meer met haar onderzoek doen dan alleen een rapport publiceren. ‘Als wetenschapper moet je ook teruggeven aan de samenleving,’ vindt ze. Om een zo groot mogelijk publiek te bereiken werd voor het medium strip gekozen. De graphic novel is de laatste tijd in opkomst. Het is een trend om levensverhalen van bekende figuren als Anne Frank en kunstenaars als Vincent van Gogh te verstrippen. Bij Imagine IC worden verhalen over migratie en multiculturele activiteiten verteld via tentoonstellingen en multimediaprojecten, in samenwerking met kunstenaars en wetenschappers. De organisatie ontbeerde echter kennis over de Nederlandse stripwereld. Met behulp van Gert Jan Pos, stripintendant bij het Fonds BKVB, werden de stripmakers voor het project gevonden.

Rana: ‘Het proces is redelijk organisch verlopen: ik heb zes levensverhalen uitgedeeld. Deze waren deels geconstrueerd om de privacy van de geïnterviewden te waarborgen. De tekenaars hebben op basis van de thema’s die uit de verhalen naar voren komen een scenario gemaakt.’

Illustratie: Mike Kok

Farida Laan zette de beoefening van de sport tegenover de uitvoering van het islamitische gebed. Dat familie een belangrijke rol speelt in de sportkeuze van de meisjes, maakt het stripverhaal van mangatekenaar Mike Kok duidelijk. De Marokkaanse Rachida moet niet alleen opboksen tegen haar opponenten in de ring, maar moet ook de strijd aangaan met vooroordelen uit haar omgeving. Kickboksen is niet voor meisjes, vindt haar vader. Volgens haar moeder is Rachida als tiener te oud om samen met jongens in dezelfde ruimte te sporten. Pas wanneer haar broer en een vriend op haar ouders in praten, mag ze lessen volgen in het buurthuis.

Bakvissen
De verhalen zijn getoetst aan de werkelijkheid, maar bevatten ook fictionele elementen. Zoals de strip van Sandra de Haan over de Rotterdamse Aicha. Dankzij haar kickbokstraining weet ze de jongen waar ze verliefd op is te redden van een straatrover. Ze is bang dat zijn mannelijke trots nu gekrenkt is en dat er ze een romance wel kan vergeten. De Haan: ‘In die cultuur is het toch wel zo dat de jongen het meisje hoort te beschermen. Als zij op een gegeven moment de rol van redder op zich neemt, wordt de rolverdeling omgegooid.’ De Haan, die doorgaans autobiografische strips maakt, vond het spannend om een strip te maken over een onderwerp dat ver van haar afstaat. ‘Ik vind het leuk om een fictieverhaal te maken dat de kernzaken waar deze meiden mee bezig zijn, raakt,’ vertelt ze.

‘Wat betreft de problemen waar ze tegenaan lopen en de interesses die ze delen, zijn Marokkaanse meisjes net zo goed bakvissen als autochtone leeftijdsgenoten. Die zitten met elkaar ook alleen maar over jongens te kletsen.’ Toch staat ze als blanke Hollandse vrouw van 41 ver af van de specifieke cultuur van de Marokkanen. ‘Hun taalgebruik is anders, maar hoe ze precies praten weet ik niet. Gelukkig heeft Jasmijn de tekst gelezen en er een paar woorden uitgehaald die de meiden niet zouden gebruiken.’

De meeste stripmakers hebben een bezoekje gebracht aan de sportschool om een paar van de sporters te ontmoeten. De Haan gebruikte foto’s en een video op YouTube om het vechten te verbeelden en hoe de sportkleding eruit ziet: ‘Voor mij is de kickboks scene een ver-van-mijn-bedshow.’ De stripverhalen hebben doorgaans een positief einde. Jasmijn Rana, die zich verder in de kwestie wil verdiepen door een promotieonderzoek, is zelf ook tevreden over het verloop van het project: ‘Hoewel het in Frankrijk al langer voorkomt, spelen islamitische meisjes in Nederland nauwelijks de hoofdrol in stripverhalen. In Burka Babes van Peter de Wit komen ook hoofddoeken voor, maar dat is een cartoon en heeft niets met de werkelijkheid te maken.’

Op 16 september opent Imagine IC de tentoonstelling ‘Chicks, Kicks and Glory.’ De tentoonstelling loopt tot februari 2011 en reist daarna door naar het Gemaal op Zuid in Rotterdam.

Dit artikel stond woensdag 25 augustus in Het Parool.

Typex: ‘Olijfje is voor mij het Raadsel Vrouw’

Tuesday, May 18th, 2010

De Amsterdamse stripmaker Typex exposeert vanaf maandag bij het Fonds BKVB. ‘Ik vind Rembrandts werk vaak een beetje groezelig.’

¡Muerte al Cubismo!, Spaans voor Dood aan het kubisme!. Zo heet de expositie die naast een uiteenlopende selectie opdrachtwerk ook zeven nieuwe donkergetinte zwart-wittekeningen van Typex toont. Die titel moeten we volgens de stripmaker niet al te serieus nemen: ‘Het kubisme kan niet dood, dus het is een zinloze kreet. Aan de andere kant, toen het kubisme opkwam werd het verguisd en belachelijk gemaakt in cartoons. Later, toen de kubistische kunstenaars tot de gevestigde orde behoorden, moesten de cartoonisten het onderspit delven. Die over-en-weerstrijd vind ik leuk.’

Zandkasteel
Met de zeven nieuwe tekeningen is Typex, die normaliter illustraties maakt voor tijdschriften en kranten, een nieuwe weg in geslagen. Door de economische crisis raakte hij tijdelijk veel opdrachtgevers kwijt. ‘Opeens leek het erop dat ik een baantje moest gaan zoeken. En ik kan alleen auto’s wassen dus dat was niet best.’ Dit stemde hem somber: ‘Ik bleek al die jaren als freelancer met een zandkasteel bezig te zijn geweest en met één trap was die om.’

Toen kreeg hij de kans het atelier van bevriend kunstenaar Bas Louter te huren. De enige aanwezige materialen waren papier, houtskool en Siberisch krijt, dus besloot Typex daarmee aan de slag te gaan: ‘Ik laat me graag beïnvloeden door wat er op mijn pad komt.’ Lachend: ‘Ik ben namelijk geen groot voorstander van keuzes.’ Werken aan de tekeningen had een bevrijdende werking. ‘Dit was heel fijn om te doen. Ik werk altijd in opdracht en tussendoor maak ik dan mijn strips, maar dat zijn eigenlijk opdrachten die je jezelf geeft. Ik had zin om een keer zonder doel iets te maken, zonder maatstaf.’

Olijfje
Zelf typeert hij het werk het liefste als pop-art of popsurrealisme. ‘Ik speel graag met symboliek. Op zich zijn de thema’s die ik behandel zwaar, maar daarom hoeft het er nog niet zo uit te zien.’ Bekende (strip)personages zijn afgebeeld. In Meat is Barbapapa op de vlucht voor een stel Dalmatiërs en in Oil zitten elf naakte Olijfjes aan de kust, allemaal druk met zichzelf bezig zonder oog te hebben voor de walvis Moby Dick die op het strand is aangespoeld.

'Oil' door Typex. Foto: Marco Bakker

Typex heeft het vriendinnetje van Popeye al vaker getekend. ‘Olijfje is onuitstaanbaar en toch heel kwetsbaar,’ vindt hij. ‘Het grappige is dat ze qua uiterlijk niets vrouwelijks heeft. Ze heeft geen borsten of billen. Daarbij loopt Olijfje ook nog eens als een bouwvakker, met die grote voeten, maar voor mij maakt dát haar juist vrouwelijk. Olijfje is voor mij het Raadsel Vrouw.’ Over de betekenis van de meestal duister getinte tekeningen wil Typex niet te veel kwijt. Liever praat hij over de vragen die het beeld oproept. ‘Je kunt je afvragen wat die Olijfjes aan het strand doen. Misschien hebben ze Moby Dick wel gelokt, alsof ze Sirenes zijn. Ik vind het zelf ook een heel raadselachtige tekening.’

Foto: Marco Bakker

Rembrandt
Inmiddels voelt Typex zich als herboren. ‘Als het mogelijk is wil ik in de toekomst minder illustreren of er zelfs mee stoppen om me volledig te wijden aan het maken van strips en dit soort tekeningen.’
Het volgende project wordt waarschijnlijk een beeldroman over Rembrandt, een opdracht van het Rijksmuseum. ‘Ik vind Rembrandts werk vaak een beetje groezelig, maar de persoon vind ik heel interessant. Uit zijn zelfportretten spreekt zo veel karakter en tegenstellingen, zowel arrogantie als verlegenheid. Daarom heb ik er meteen zin in.’

De tentoonstelling was eerder te zien op stripfestival FICOMIC in Barcelona en loopt van 17 mei t/m 18 juni bij organisator Fonds BKVB, Brouwersgracht 276. Maandag t/m vrijdag, 10.00 t/m 17.00 uur.

Dit artikel stond maandag 17 mei in Het Parool.

Het werk van Typex is gefotografeerd door Marco Bakker.

Typex over strips in Barcelona

Monday, May 17th, 2010

Typex was een van de vijftig stripmakers die begin mei te gast was op stripbeurs Ficomic in Barcelona. Nederland was dit jaar eregast op het stripfestival dankzij de inspanningen van stripintendant Gert Jan Pos. Typex exposeerde er een reeks nieuwe, indrukwekkende tekeningen.

Typex met zijn vrouw Joli. Foto: Tonio van Vugt

‘Barcelona was echt geweldig, een natte droom voor striptekenaars,’ zegt Typex. ‘Wij stripmakers zitten eigenlijk altijd in ons uppie op ons spreekwoordelijke zolderkamertje te tekenen. Ik ben er nooit bij als mensen mijn werk zien, maar nu dus wel. We hadden ook meteen een erg leuk contact met de Spaanse stripmakers die we daar tegenkwamen. Je bent meteen vrienden, je merkt meteen een geestverwantschap. Ik spreek drie woorden Spaans en zij drie woorden Engels, dus dat zijn in totaal zes woorden die over en weer gooit. (lacht) En het was in Barcelona, wat voor mij toch een van de mooiste steden ter wereld is.’

Ga je dan nooit naar Nederlandse stripbeurzen?
‘Bijna nooit. Ik word altijd een beetje droevig van de Nederlandse beurzen. Ik heb wel eens achter zo’n tafeltje gezeten, maar mijn strips zijn geen Fokke & Sukke, daar komen geen drieduizend mensen op af. Anderhalve gek komt dan bij mijn tafeltje staan. Al zijn dat dan vaak wel de leuke mensen. Bovendien vind ik het lastig tekenen met publiek erbij.’

Lees maandag het volledige interview met Typex in Het Parool.

Meer over stripmakers in Barcelona: