Categories
Film

Imagine 2015 in de achteruitkijkspiegel

Robots, cyborgs en artificiële intelligentie. Dat was zo’n beetje de rode draad van Imagine 2015. Hoewel ik door drukte weinig van de filmprogramma’s heb kunnen zien, pakte ik toch genoeg van het festival mee om er tevreden op terug te kunnen kijken.

Alles over Imagine 2015
Alles over Imagine 2015

Voor mij vond het hoogtepunt van het festival nog voor de openingsavond plaats, namelijk het interviewen van editor Bob Murawski. Het was een genot om een uur met deze prof uit Hollywood te mogen spreken over zijn liefde voor de genrefilm, zijn samenwerking met Sam Raimi en de Spider-Man-films. Zijn masterclass op vrijdag 10 april was ook zeer vermakelijk:

Met Ex Machina opende het festival. Daarin verblijft twintiger Caleb een week in het afgelegen futuristische onderkomen van zijn baas Nathan, de oprichter van internetzoekmachine Bluebook. Nathan blijkt zijn eigen robot te hebben gebouwd, de beeldschone Ava, en vraagt Caleb mee te werken aan een experiment om te testen in hoeverre haar kunstmatige intelligentie zich nog laat onderscheiden van dat van menselijke. Al snel blijken de relaties veel ingewikkelder in elkaar te zitten dan verwacht. Ik vond het een boeiende openingsfilm met een seksistisch tintje. Actrice Alicia Vikander deed me erg denken aan Sean Young uit Blade Runner en dat is vast niet per ongeluk.

Er waren veel interessante lezingen dit jaar. De lezing van Prof.dr. Anneke Smelik over Robots en hartstocht woonde ik bij op zondag. Helaas scheen de zon fel op de muur waarop de filmfragmenten geprojecteerd werden, waardoor die nagenoeg niet te zien waren. Gelukkig kende we de meeste fragmenten al. Wie heeft immers niet The Terminator of The Matrix gezien?

De avond over H.R. Giger vond ik boeiend. Ik ken het werk van Giger vooral uit de eerste Alien-film – hij deed daar de ontwerpen voor – en daarom was het leuk om meer van zijn boeiende werk te zien en om anecdotes van mensen te horen die Giger persoonlijk gekend hebben. Marco Witzig, sinds 2000 Gigers assistent, en de Nederlandse kunstenaar André Lassen, die met Giger samenwerkte, werden door Barend de Voogd geïnterviewd. De documentaire over Giger die erna werd vertoond moest ik helaas skippen: de volgende dag moest ik vroeg mijn bed uit om stripmaker Scott McCloud te interviewen.

De documentaire Lost Soul, The Doomed Journey of Richard Stanley’s Island of Dr. Moreau heb ik gelukkig wel gezien. Prachtig verhaal over hoe Stanley van zijn eigen filmset werd verjaagd door beroepseikels Marlon Brando en Val Kilmer. Goed, Stanley gedroeg zich ook niet helemaal als een regisseur tijdens het project en eenmaal op locatie in Australië weigerde hij praktisch zijn huis uit te komen om met de crew te overleggen. De documentaire is niet heel opzienbarend in elkaar gezet, maar het verhaal dat er verteld wordt is meer dan de moeite waard. Het was een voorstelling geregeld door filmblad Schokkend Nieuws en dat leverde gelukkig meteen wat nieuwe abonnees op. Dat doet mij, als medewerker van dat prachtige tijdschrift, natuurlijk erg goed. Collega Hedwig van Driel leidde de film vakkundig en onderhoudend in.

Verder zag ik nog de film Spring, waarin de Californische Evan in Italie de liefde van zijn leven tegen het ranke lijf loopt. Uiteraard blijkt deze schone veel meer te zijn dan ze lijkt en draagt ze een duister geheim met zich mee. Ware liefde overwint zelfs enge transformaties, blijkt uit Spring.

Het korte filmprogramma Shorts 4: Outrageous, Outlandish, Out of This World kon mij goed bekoren. Vooral de films The Stomach en Dinner for Few waren erg goed, terwijl The Fly erg luchtig en goed uitgevoerd was.

De slotfilm Big Game vond ik vermakelijk en was een fijne en vooral makkelijke afsluiter van het festival. Samuel L. Jackson casten als angsthazige president van de Verenigde Staten was een mooie vondst. Toch vond ik Rare Exports, ook van schrijver en regisseur Jalmari Helander, wel beter.

De leuke reportages over het festival zijn gemaakt door de snelle jongens Lazlo en Dylan Tonk van Dyzlofilm.

Categories
Striprecensie Strips

Kleine Christiaan: Opgroeien als stripfiguur

De jonge Christiaan modelleert zichzelf naar de hoofdrolspelers van zijn favoriete films en strips. Als Lucky Luke reist hij af naar het voor hem onbekende Duitsland en als Kuifje trotseert hij een denkbeeldige woestijn die tussen hem en zijn kalverliefde ligt.

Leuk detail is dat tekenaar Blutch de jonge held ook als het betreffende stripfiguur afbeeldt in de tekenstijl die bij dat personage hoort en moeiteloos verschillende stijlen met elkaar vermengt. Maar volwassen worden ligt op de loer en op een gegeven moment zal Christiaan de maskers van zijn helden moeten afdoen. Zeker als hij verliefd wordt op Catie Borie. Of toch niet?

In Kleine Christiaan verwerkte Blutch gebeurtenissen uit zijn jeugd tot korte episodes. De stripmaker weet de denkwereld van een opgroeiend jongetje goed inleefbaar te maken en houdt het bovenal lekker luchtig. Te pas voert hij zijn jeugdhelden op als personages. Bij Marlon Brando uit de periode Last Tango in Paris neemt Christiaan zijn liefdesexamen af, terwijl hij acteur Steve McQueen hoger heeft zitten dan God en het lichaam van Farrah Fawcett aanbidt.

Dat laatste heeft de stripmaker gemeen met Michiel van de Pol, die in de striproman Terug tot Johan ook zijn door puberhormonen ingegeven voorkeur voor deze Charlie’s Angel optekende.

Blutch is het pseudoniem van Fransman Christian Hincker, die pas na de kunstacademie het striptekenen ontdekte. Beter laat dan nooit, want hij creëert bijzonder fijne strips, maar is in Nederland (nog) niet zo bekend. Jammer dus dat de uitgeverij op of in de strip Kleine Christiaan nergens informatie geeft over de maker of de inhoud van het album. Ook de omslagillustratie nodigt niet uit tot lezen. Eeuwig zonde, want je gunt iedereen het leesplezier dat Kleine Christiaan te bieden heeft.

* * * *

Blutch – Kleine Christiaan
Oog & Blik/De Bezige Bij, € 19,90
ISBN 978-90-549-2284-1

Deze recensie is ook in Zone 5300 #91 gepubliceerd.

Categories
Film

Film A-Z: A

Zoals iedere liefhebber heb ik zo mijn favorieten. Het leek me tijd om deze met de wereld te delen. Dat doe ik in de vorm van een ABC, omdat ik eerlijk gezegd niet een nummer één heb. En als die er al is, dan is het morgen weer een andere film. Daarom presenteer ik de komende weken op vrijdag mijn, geheel particuliere, film ABC.

Het is een lijst met films die me ooit bijzonder geraakt of vermaakt hebben. Films die ik in mijn jeugd zag en me nooit meer hebben losgelaten en films van recentere datum die op aangename wijze door mijn hoofd spoken. Films kortom, die ik voor altijd met me meedraag en meerdere malen kan zien. Films die ik je graag wil aanraden.

Extra opmerking: Dit zijn mijn favoriete films, niet de films die per se de geschiedenis in moeten gaan als KLASSIEKERS. Per letter noem ik een paar filmtitels en leg uit waarom ik deze cinematografische werkjes zo goed vind.

All the President’s Men (Alan J. Pakula, 1976)

In de jaren zeventig zijn er een paar Amerikaanse films gemaakt in het genre politieke thriller waarin de onbetrouwbaarheid van de overheid centraal staat. Anders gezegd: de paranoïde gevoelens die je hebt jegens je eigen overheid zijn volledig juist, negeer ze niet. All the President’s Men gaat over hoe de journalisten Bob Woodward (Robert Redford) en Carl Bernstein (Dustin Hoffman) van The Washington Post het Watergateschandaal aan het licht brengen. Prachtig spel van Dustin Hoffman en Robert Redford – toch wel twee van mijn favoriete acteurs. Die film biedt een mooi tijdsbeeld en schetst een boeiend verhaal over onderzoeksjournalistiek.

Almost Famous (Cameron Crowe, 2000)

Regisseur Cameron Crowe bewerkte zijn ervaringen als jonge journalist van Rolling Stone Magazine tot heerlijke autobiografische fictie waarin de vijftienjarige William Miller (Patrick Fugit) mee mag toeren met de band Stillwater. Een sfeervolle film over de liefde voor popmuziek in de magische jaren zeventig, volwassen worden en de mythe van Amerika. Kate Hudson was nooit meer in een film zo ontwapend als Penny Lane – de ultieme band-aid, een eufemisme voor groupie. Maar met die term zouden we Penny echt tekortdoen.

Almost Famous was op muzikaal gebied voor mij een openbaring en fungeert in wezen op dezelfde manier als de verzameling LP’s die Williams zus Anita voor hem achterlaat.  De soundtrack zit volgepropt met prachtige evergreens van muzikale kunstenaars als Simon & Garfunkel, The Who, Led Zeppelin, David Bowie, Cat Stevens en Elton John. Sommigen ervan kende ik al jaren, maar vormde de soundtrack een vernieuwde kennismaken, anderen hoorde ik voor het eerst pas echt goed. Zoals Led Zeppelin, waar ik sinds Almost Famous veel waardering voor op kan brengen.

Penny Lane: ‘If you ever get lonely, just go to the record store and visit your friends.’
(Zie hier nog veel meer leuke quotes uit de film en hier een artikel dat ik eerder over de muziek in Almost Famous schreef)

American Beauty (Sam Mendes, 1999)

Kevin Spacey die midden in zijn midlifecrisis zit, een verdord huwelijk met zijn vrouw Annette Bening deelt, verliefd wordt op de middelbare schoolgenoot van zijn dochter en besluit het roer om te gooien. Daar in het midden van de wervelstorm die zijn leven is, danst een plasticzakje in de wind – een beeld van zo’n ongrijpbare schoonheid dat we bijna de blote borsten van Thora Birch vergeten die net als het zakje, met de camera van de buurjongen zijn vastgelegd. Deze film gaat veel verder dan American Beauty, het is mijns inziens een lofzang op de poëzie van het leven. Dat het script door vakman Alan Ball geschreven is, kun je eraan afzien.

Annie Hall (Woody Allen, 1977)
Een van mijn favoriete Woody Allen films (one of his early funny ones) met een dramatische ondertoon: het verloop van de relatie tussen zangeres/fotografe Annie Hall en comediant Alvy Singer. Het is moeilijk om niet te vallen voor de charmante performance van Diane Keaton. Allen gaat hierin erg speels om met het medium: in een scène op het dak praten Hall en Singer met elkaar over koetjes en kalfjes, terwijl we via de ondertitels lezen wat er echt in hun hoofd omgaat. Ook de scène waarin ze beide in de rij staan voor een filmkaartje en Singer zich irriteert aan te luid pratende betweter die zijn semi-intellectuele meningen zijn vriendinnetje probeert te imponeren.

Wat zou het toch prachtig zijn als je in het echte leven opeens Tim Burton te voorschijn kon halen als iemand moet overtuigen van zijn ongelijk. Helaas, only in the movies.

Apocalypse Now Redux (Francis Ford Coppola, 1979)


Voor mij nog steeds de ultieme film over de waanzin van de oorlog. Apocalypse Now draait om de reis van Kapitein Willard (Martin Sheen), een spion van het Amerikaanse leger. Willard wordt op een gevaarlijke missie gestuurd: hij moet de rivier Cambodja afreizen om daar Kurtz (Brando) te vinden en te vermoorden. Kurtz is een voormalig Amerikaans kolonel die is gedeserteerd. Hij is krankzinnig geworden en heerst over een groep Montagnaardse inboorlingen in een afgelegen oerwoudcomplex. De reis die Willard aflegt over de rivier brengt hem in het hart van de duisternis: die van de oorlog, maar ook in zichzelf.

Een tijd geleden schreef ik een uitgebreide analyse over hoe Marlon Brando het personage Kurtz gestalte gaf.

Army of Darkness (Evil Dead 3) (Sam Raimi, 1992)
Dit is een heel ander soort oorlog, maar in tegenstelling tot die in Vietnam, zeer vermakelijk. Nash uit Evil Dead 1 + 2 is samen met zijn uit 1973 afkomstige Oldsmobile getransporteerd naar de middeleeuwen. Daar wordt hij aangezien als degene die volgens de voorspellingen het boek der doden zal ophalen, maar omdat hij de uitspraak van de magische woorden verknalt, komen de doden tot leven. De volledig belachelijke plot is oh zo vermakelijk. Bruce Campbell acteert met flair met een flinke dosis zelfspot. En op het moment dat het dodemansleger aan komt stormen, handgemaakte skeletten die in de lucht worden gehouden door de poppenspelers die net buiten beeld zijn, ben ik helemaal verkocht. Een ode aan stop-motion specialist Ray Harryhausen die hem vast van plezier uit zijn graf zou doen opspringen -als hij dood was geweest. Harryhausen (geboren in 1920 te Los Angeles leeft immers nog steeds).

Meest memorabele quote van de film: ‘Give me some sugar, baby!’

Heb je zelf ook nog wat favoriete Aatjes toe te voegen? Daar is het commentformulier voor. Volgende week vrijdag gaan we verder met de B.