Categorieën
Strips

Judith Vanistendael: ‘Ik ben niet zo van “de Grote Waarheid”‘

De Vlaamse stripmaker/illustrator Judith Vanistendael (Leuven, 1974) brak door met het semi-autobiografische tweeluik De maagd en de neger. Nu is er de striproman Toen David zijn stem verloor waarin het titelpersonage kanker krijgt. Op indringende wijze vertelt Vanistendael hoe David, zijn vrouw en twee dochters omgaan met deze slopende ziekte.

Waarom wilde je dit verhaal vertellen?
‘Ik wilde uitdrukken hoe mensen omgaan met een naderende dood en ik wilde een soort analyse maken van hoe mensen van verschillende leeftijden reageren als ze geconfronteerd worden met iets heftigs als kanker. Die thematiek ligt me zeer nauw aan het hart. Toen ik een verhaal zocht voor het nieuwe boek, was er in mijn naaste omgeving sprake van een soort kettingreactie van kanker. De directe aanleiding was het feit dat de vriend van mijn moeder overleed aan keelkanker, maar het verhaal is volledig bedacht en niet autobiografisch.’

Hoe heb je je ingelezen?
‘Een KNO-oncoloog in Brussel heeft me veel geholpen. Hij verschafte mij achtergrondmateriaal, legde het hele ziekteproces uit en de operaties. Bijvoorbeeld hoe een strottenhoofd operatief wordt verwijderd. Daarnaast heb ik veel op het internet opgezocht en heb ik tijdens mijn bezoeken in het ziekenhuis veel geobserveerd en geschetst.’

Je hebt als research ook een voetreis ondernomen naar Santiago de Compostela.
‘De oudste dochter Miriam maakt die pelgrimstocht, ik wilde ervaren hoe dat was. Uiteindelijk is het een minder groot element in het verhaal geworden dan gepland. De tocht was niet relevant voor hetgeen ik uiteindelijk wilde vertellen. Reizen is wel een belangrijk thema in het boek. De hele striproman is eigenlijk een grote reis naar de dood; daarnaast maakt ieder personage een bepaald soort reis. David maakt bijvoorbeeld alleen reizen in cirkels, die zeilt altijd op de meren van Berlijn. Zijn jongste dochter Tamar maakt een reis in haar fantasie.’

Judith Vanistendael door Judith Vanistendael.

Wederom heb je een verhaal gemaakt dat uit verschillende perspectieven verteld wordt.
‘Ik ben niet zo van “De Grote Waarheid”. Wat ik boeiend vind aan fictie is dat je verschillende waarheden kunt weergeven, verschillende realiteiten en visies. Ik denk dat het me daarom zo aanspreekt. Maar in het volgende boek doe ik dat niet meer, want het is heel veel werk.’

Waarom letter je de tekstballonnen zelf?
‘Omdat bij het beeldverhaal de tekst een integraal deel uitmaakt van de tekening. Ik vind dat je die twee niet los van elkaar kunt zien. Ik letter ook vaak de buitenlandse versies zelf. Dat vind ik heel belangrijk, omdat tekst bijna een soort tekening wordt. Daar kun je niet een willekeurig lettertype op smijten. Maar volgens mijn uitgever ben ik ook wel een controlefreak.’

Judith Vanistendael: Toen David zijn stem verloor, Oog & Blik/De Bezige Bij.

Dit artikel is in VPRO Gids #6 gepubliceerd.

Categorieën
Media

Hoogerbrugge exposeert in TENT

In februari en maart 2012 presenteert TENT een omvangrijke solotentoonstelling van de Rotterdamse kunstenaar Han Hoogerbrugge. La Grande Fête des Voyeurs is het eerste overzicht van zijn werk.

Nu kom ik niet graag in Rotterdam, maar de overzichtstentoonstelling van Hoogerbrugge is een goede reden om toch naar de Maasstad af te reizen. Ik volg zijn werk al een paar jaar, sinds ik hem uitgebreid sprak voor de VPRO Gids. Later spraken we elkaar nog voor Het Parool over zijn webproject Pro Stress 2.0, waar hij dagelijks een webcomic publiceert.

Al bijna vijftien jaar tekent Hoogerbrugge zijn alter ego, een einzelgänger in zwart pak die met zwarte humor de wereld om zich heen beziet. Ik moet vaak erg om zijn comics lachen. In 2011 draaide Hoogerbrugge’s vermakelijke, korte animatiefilm Overlast als voorfilm in de bioscoop. De film was onderdeel van het programma Ultrakort. In hetzelfde jaar was zijn animatie Quatrosopus te zien in het Deens paviljoen op de Biënnale van Venetië. De animatiegame FLX is onlangs verworven door Stedelijk Museum Amsterdam.

Grensoverschrijdend
Hoogerbrugge is uitgegroeid tot een prominent voorbeeld van een hedendaagse crossmediale kunstenaarspraktijk, waarin de grenzen tussen virtueel en reëel, tussen droom en nachtmerrie, tussen high en low art, niet bestaan. Met grote regelmaat zijn de tekeningen en animaties van Hoogerbrugge te zien op festivals, popconcerten, in kranten en magazines, maar ook in musea, expositieruimtes en galeries.

In La Grande Fête des Voyeurs transformeert TENT tot het universum van kunstenaar. Diaprojecties, tekeningen, videomonitoren en projecties tonen werk van de afgelopen vijftien jaar, van het pioniersstadium waarin Hoogerbrugge met eenvoudige computerprogrammatuur bewegende animaties maakte, tot de verfijnde computertechniek die het publiek in beweging brengt om de Hoogerbrugge-games te spelen.

Twistgesprek
Momenteel werkt Hoogerbrugge aan een nieuwe video-installatie waarin de verschillende personages uit zijn comics met elkaar in een visueel twistgesprek worden gebracht. De video-installatie gaat op de opening van de tentoonstelling in première.

TENT is een platform voor 100% hedendaagse kunst dat zijn wortels heeft in Rotterdam. TENT richt zich via haar uiteenlopende programmering op relevante ontwikkelingen binnen de hedendaagse kunst, waarbij er speciale aandacht is voor actuele thematiek. Sinds 2008 programmeert TENT solotentoonstellingen van beeldbepalende Rotterdamse kunstenaars, gericht op het bekendmaken van het werk aan een breder publiek. TENT presenteerde solotentoonstellingen van Wendelien van Oldenborgh, Katarina Zdjelar en Lara Almarcegui.

TENT
Witte de Withstraat 50
3012 BR Rotterdam

Categorieën
Strips

Strips en kunst: The comic side of art

Ik heb de expo zelf nog niet gezien, maar tot 15 januari kun je bij galerie NEST in Den Haag terecht voor de tentoonstelling The comic side of art. Een tentoonstelling die draait om het grensgebied tussen comics en beeldende kunst.

'Modernity in rags' door Ewoud van Rijn.

De samengebrachte kunstenaars van The comic side of art gebruiken de visuele taal van het stripverhaal binnen een beeldende kunstcontext. In deze tentoonstelling zal een combinatie van jonge lokale kunstenaars en gevestigde internationale helden te zien zijn.

Donderdagavond 12 januari is er om 20.00 uur een discussie tussen (strip)kunstenaars Guido van Driel, Tim Enthoven en Gijs Assmann, onder leiding van Gert Jan Pos.

Galerie NEST in Den Haag, aan het De Constant Rebequeplein 20B.

Een paar jaar geleden schreef ik een stuk voor de VPRO Gids waarin de vraag in hoeverre het medium strip als kunst kan worden gezien, centraal staat.

Zelfbeeld van het beeldverhaal

Strips zijn meer dan alleen kinderverhaaltjes, maar in Nederland denkt men bij ‘strips’ toch vaak eerst aan Suske & Wiske en Donald Duck. Er moet anders naar het medium gekeken worden, vinden stripmakers en uitgevers.

Lees hier verder.

Categorieën
Strips

Posy Simmonds: ‘Ik dacht: Sterf!, maar Gemma wilde niet’

Posy Simmonds. Foto: Victor Schiferli

Posy Simmonds was jaren een goed bewaard geheim van de Britse strip. Met stripromans over de getormenteerde heldinnen Gemma en Tamara brak ze in het buitenland pas echt door als stripmaker. ‘Opeens was ik een graphic novelist!’

‘Het tekenen vind ik het leukste gedeelte van mijn werk. Je kunt dan lekker zingen of muziek luisteren. Als ik aan het arceren ben is het fijn om Bach te draaien. Dan kan ik in het ritme van de muziek de lijnen trekken. Als ik iets dramatisch moet tekenen, draai ik iets verdrietigs. Bijvoorbeeld ‘Dido’s Lament’, een prachtige aria van componist Henry Purcell. Goed, ik moet er niet te hoogdravend over doen, want uiteindelijk hebben we het over het schrijven over stripfiguren, maar het helpt wel bij het werk om in de juiste gemoedstoestand te komen,’ zegt Posy Simmonds.

Tot enkele jaren geleden was Simmonds (Berkshire, 1945) een goed bewaard geheim van de Britse stripwereld. Jarenlang werkte ze als illustrator en stripmaker voor verschillende kranten en tijdschriften. Daarnaast illustreerde en schreef ze kinderboeken.
In eigen land is ze een gelauwerd vakvrouw. Ze kreeg tweemaal de prijs voor beste cartoonist van het jaar. In 2002 werd ze opgenomen in de Orde van het Brise Rijk voor haar verdiensten voor de krantenindustrie. Hoewel ze in 1981 al een graphic novel publiceerde, geniet ze naar eigen zeggen pas echt bekendheid als stripmaker sinds de publicatie van de stripromans Gemma Bovery (inderdaad, niet ‘Bovary’) en Tamara Drewe. ‘Jarenlang was ik een illustrator voor kranten, maar door die boeken ben ik op eens een stripmaker geworden, een graphic novelist!’ zegt Simmonds met een glimlach, niet gespeend van enige zelfspot. ‘Ik heb een heel nieuwe wereld ontdekt. Heel bijzonder, ik word nu op verschillende plekken uitgenodigd. Dat is niet het geval als je voor kranten tekent, dan zit je vooral thuis te werken.’

Ik spreek haar in december op het Strip Turnhout festival waar ze eregast is. Op het tweejaarlijkse Vlaamse festival staat de Britse strip centraal.

Schoonmaakster
Simmonds is een dame op leeftijd, ze praat met zachte stem maar toont zich een geanimeerd spreker. Soms praat ze vloeiend Frans: als tiener studeerde Simmonds beeldende kunst aan de Sorbonne in Parijs. Daarna volgde ze een opleiding grafisch ontwerp aan de Central School for Art and Design in Londen, waar ze tekenen en graphic design studeerde. Toen Simmonds in de tweede helft van de jaren zestig de collegebanken verliet, wist ze niet meteen wat ze wilde gaan doen. Ze stelde een portfolio samen en liep de deuren van kranten, redacteuren en uitgevers plat. ‘Ik ging bij iedereen langs die illustraties gebruikte. In het begin ving ik vaak bot. Dus werkte ik als schoonmaakster en hondenuitlater. Een van de eerste illustraties die ik gepubliceerd kreeg was voor de vrouwenpagina van The Times. Ik was al eerder bij ze langs geweest, maar toen hadden ze geen werk voor me. Op een gegeven moment belden ze op. Ze hadden een gat op de pagina; of ik daarvoor een illustratie wilde maken voor vijf uur die middag. Ik hou erg van deadlines. De spanning zorgt ervoor dat de ideeën komen.’

Scene uit 'Gemma Bovery'

Simmonds illustreerde in beginsel artikelen over prozaïsche onderwerpen als isolatie, begrafenisondernemers en verzekeringen. Het echte stripwerk mocht ze voor The Sun in 1969 maken, met de dagelijkse strip Bear. Later volgde regulier illustratiewerk voor The Guardian en cartoons over de literaire wereld. Simmonds: ‘Wat ik fijn vind aan werken voor een krant is dat het vergankelijk is. Na een dag verdwijnt het. Maar ja, nu niet meer, want op het web is het blijvend.’

Lezerspost
In 1977 mocht ze voor The Guardian een strip maken voor de vrouwenpagina: The Silent Three of St Botolph’s. De strip ging voornamelijk over de familie Weber, middleclass inwoners in Londen. ‘Mijn opdracht was om over de lezers van The Guardian te schrijven, verder mocht ik het overal over hebben, van scheidingen tot anticonceptie,’ zegt Simmonds. ‘Die strip kwam uit in de tijd dat vrouwenemancipatie een belangrijk en nieuw onderwerp was. De vrouwenpagina was berucht. Het waren interessante tijden. Mannen waren bang dat je hun stropdassen doorknipte of hun broek in de fik stak,’ zegt Posy met een serieus gezicht, maar ze vervolgt met: ‘I’m kidding.

Ruim tien jaar lang stond er iedere week een nieuwe aflevering van The Silent Three in de krant. Simmonds leverde vaak sociaal commentaar in haar werk en wist haar lezers te beroeren. De strip was zo’n succes dat de personages kerst- en valentijnskaarten van lezers kregen toegezonden. Ook de stripmaakster kreeg postzakken vol: ‘Mensen legden mij hun problemen in hun brieven voor en vroegen me om raad. Soms kregen de personages ook dat soort brieven. Ik schreef de lezers terug dat ik niet de kennis in huis had om ze te helpen. Je kunt mensen raken door schaamte. Als je over bepaald gedrag iets schrijft dan schrijven mensen je dat ze zich weliswaar schamen maar zich er wel in herkennen.’

Gemma denkt aan haar minnaar uit: 'Gemma Bovery'

Overspel
Het grote publiek buiten Engeland kent Simmonds vooral vanwege haar graphic novels Gemma Bovery en Tamara Drewe. Twee heldinnen die nogal wat ophef veroorzaken in hun directe omgeving en die zijn verwikkeld in overspelige relaties. Overspel fascineert Simmonds niet in het bijzonder, het is een prominent thema in de literaire bronnen waar ze zich door liet inspireren.

Gemma Bovery is Simmonds vrije, eigentijdse en satirische bewerking van Gustave Flauberts Madame Bovary. Gemma en haar man Charlie Bovery verhuizen van Londen naar Normandië waar Gemma zich al snel begint te vervelen. Ze verlangt terug naar haar ex-minnaar Patrick en begint een relatie met een jonge Franse rechtenstudent. De plaatselijke bakker Raymond Joubert raakt geobsedeerd door Gemma: in zijn ogen lijkt haar leven precies dat van haar literaire naamgenoot te volgen.

Prinses Diana

Gemma Bovery heeft de ogen van Prinses Diana.

Gemma Bovery verscheen zes dagen per week als vervolgverhaal in The Guardian. Simmonds kwam op het idee van de bewerking door een toevallige ontmoeting: ‘Ik was in Italië en ik zag een Italiaanse vrouw die me deed denken aan Madame Bovary. Ze had haar handen vol Prada-tassen en net gekochte kleren. Ze leek erg verveeld en pissig. Op dat moment kochten veel Engelsen huizen in Normandië en de Dordogne. Ik besloot dat Gemma Engelse zou zijn en dat haar leven op een bepaalde manier het verhaal van Flaubert zou weerspiegelen. Het uiterlijk van Gemma baseerde ik op Diana, de prinses van Wales, die toen nog leefde. Ik vond de manier waarop Diana vanuit haar ooghoeken omhoog kon kijken, heel intrigerend. Ik heb Gemma dezelfde ogen gegeven.’

Net als in Flauberts roman moest Simmonds heldin sterven. Toch ging dat niet zo makkelijk: ‘Net als Madame Bovary zou Gemma zelfmoord plegen. Ik was de aflevering aan het maken waarin ze een overdosis nam, maar op de een of andere manier wilde ze niet sterven. Ik dacht: “Sterf!”, maar ze kwam telkens weer overeind en zei: “Nee, dit doe ik gewoon niet.” Toen realiseerde ik me dat haar karakter was veranderd. Ze was niet suïcidaal, maar iemand die zichzelf opnieuw zou uitvinden. Toch moest ik haar wel vermoorden, want het verhaal wordt in flashback verteld en in de eerste aflevering staat dat Gemma dood is.’ Uiteindelijk zou Gemma stikken in een stuk brood van bakker Joubert, terwijl haar man en haar ex-minnaar met elkaar op de vuist gaan. Zo waren de drie mannen in Gemma’s leven verantwoordelijk voor haar dood.

Minnaars
Tamara Drewe, de heldin uit het gelijknamige feuilleton, de striproman en de verfilming door Stephen Frears, overleeft het verhaal gelukkig wel. Omdat de reeks oorspronkelijk in de literaire sectie van The Guardian stond, wilde Simmonds een verhaal maken over een toevluchtsoord voor schrijvers op het platteland. ‘Pas toen ik me deze plek, verborgen in het landschap, voorstelde, dacht ik aan “Far from the madding crowd”. Een welbekend citaat van het gedicht “Elegy Written on a Country Graveyard” van Thomas Gray, dat gaat over het platteland. Hardy gebruikte het als titel voor zijn boek over een vrouw met drie potentiële minnaars. Dat leek me een interessante situatie. Gemma en Tamara zijn uiteindelijk mijn verhalen, ik leen bepaalde elementen uit de literaire bronnen. Het is niet belangrijk dat je de bronnen kent, maar als je ze wel gelezen hebt, geeft dat de leeservaring iets extra’s.’

In Simmonds nieuwste project zit ook een negentiende-eeuwse roman begraven. ‘Op dit moment praat ik er nog niet graag over, want als je eraan werkt is een boek als een luchtkussen: zodra je erover begint te praten loopt de lucht eruit. Meer wil ik er niet over zeggen, behalve dan dat alle menselijke zwaktes er in zullen zitten.’

Pagina uit 'Tamara Drewe'

Knip- en plakwerk
De term graphic novel lijkt te zijn uitgevonden voor de grafische vertellingen van Simmonds waarin ze op effectieve wijze stripstroken en proza afwisselt. ‘Daar ben ik aanvankelijk opgekomen vanwege efficiëntie. Ik had met Gemma Bovery een behoorlijk lang verhaal dat in honderd afleveringen verteld moest worden, en ik had een grote ruimte op de pagina te vullen. Ik wilde de lezer waar voor zijn geld geven. In een aflevering moet echt iets gebeuren. Achteraf gezien gaf deze manier van vertellen me de mogelijkheid om een meerstemmig verhaal te maken. Ik kon zo makkelijk wisselen van verhaalperspectief. Ik kon bijvoorbeeld beginnen met de gedachten van een personage, gevolgd door een stuk beschrijving dat het eerdere stuk verdiept of tegenspreekt. Vervolgens kon ik op een ander personage overspringen.’

Simmonds heeft sinds anderhalf jaar een computer, maar maakt haar strips nog geheel met de hand. Zij ontwerpt de lay-out van de pagina’s en schrijft de tekst eerst uit. Haar man Richard, die typograaf is, tikt deze in op zijn pc, waarna Posy de print tussen de stripplaatjes plakt.

De Australische schrijver Clive James roemt Simmonds om haar goede gevoel voor dialoog. Vaak overhoort ze mensen als ze op locatie research doet voor haar verhalen. Voor Tamara Drewe maakte Simmonds op locatie veel tekeningen en nam enkele foto’s. ‘Herkenbaarheid is heel belangrijk in mijn werk. Het landschap is als dat van Dorset. Engelse lezers herkennen het soort boerenhoeve waar de schrijvers verblijven meteen.’

Gemma Bovery en Tamara Drewe zijn door De Harmonie uitgegeven.

Dit interview is in VPRO Gids #1 (2012) gepubliceerd.

Categorieën
Daily Webhead Mike's notities Strips Video

Mijn 2011

Mijn 2011 is een korte impressie van memorabele momenten van het afgelopen jaar. Ik heb me beperkt tot de foto’s die ik voor Daily Webhead heb gemaakt. Het overzicht is daarom ook niet volledig, maar wel lekker kort.

De muziek in de video is een mooie track van Marco Raaphorst.

Interviews
2011 was een druk jaar, ook wat betreft interviews. Nu is interviewen mijn vak, dus drukte is vooral goed.

Ik heb een paar fijne gesprekken gevoerd die me bij zullen blijven. Het eerste schiet me het interview met Craig Thompson binnen. Ik sprak hem op de Boekenbeurs in Antwerpen voor de VPRO Gids. Een leuke vent van ongeveer mijn leeftijd wiens Blankets grote indruk op me heeft gemaakt.

Het interview met Youp van ’t Hek maakte ik voor HumorTV.nl – een site voor de VARA. Na alle sterallures van de meeste VARA-prominenten waar ik in de afgelopen twee jaar mee te maken kreeg, was de ontspannenheid van Youp een verademing. Hij had alle tijd voor ons. Na het gesprek hebben we nog gezellig koffie gedronken. Wie overigens geen sterallures hebben zijn Paul Witteman en Frank Evenblij. Naar het gesprek met Evenblij had ik echt uitgekeken: ik vind hem een van de grote beloftes van de Nederlandse televisie. Het was ook een boeiende en ontspannende dialoog.

Hoe leuk die video-interviews ook zijn, mijn voorkeur gaat op dit moment toch uit naar geschreven interviews.

De gesprekken met Peter Pontiac en animator Rosto staan me ook nog helder voor de geest. Ik hou van eigenzinnige kunstenaars en praat graag met ze over hun werk, hun motieven en dromen. Pontiac kreeg dit jaar natuurlijk veel aandacht omdat hij de Marten Toonderprijs had gewonnen. Prima als zo’n oeuvreprijs de spotlight op een bijzondere stripmaker richt.

Met het interview met Peter de Wit heb ik wederom een naam op mijn verlanglijstje kunnen doorstrepen. Dat lijstje is overigens nog lang genoeg om me voorlopig bezig te houden.

Op stripgebied was er ook zeer droevig nieuws: de dood van Minck Oosterveer heeft me geraakt. Aan het begin van het jaar sprak ik hem uitvoerig over zijn plannen voor de Amerikaanse comicsmarkt. Hij was net aan het doorbreken in de Verenigde Staten en toen verongelukte hij met de motor. Ik hoorde het op maandagmorgen toen de NOS mij belde voor een paar quotes over Minck.

Anders kijken
De expositie van het werk van Saul Leiter zal me nog lang bijblijven. Vooral omdat ik door zijn foto’s weer anders naar de wereld ben gaan kijken. Dat is wat ware kunst met je doet. Er waren ook een paar strips die ik las die grote indruk hebben gemaakt. Een paar ervan heb ik gerecenseerd, maar ik ben tot mijn spijt er niet aan toe gekomen om ze allemaal te behandelen. Misschien iets voor de toekomst.

Voornemens
Voornemens heb ik niet zo veel. Minder moeten, dat wordt mijn credo voor de komende maanden. Meer met mijn hoofd tussen de bomen. Dat soort dingen.

Rest mij niets anders meer dan de bezoekers van mijn blog hartelijk te bedanken voor het lezen van mijn stukken en het reageren op de site. En iedereen een avontuurlijk, liefdevol en 2012 zonder domrechts toe te wensen.

Categorieën
Strips

Craig Thompson: ‘Je kunt in fictie meer over jezelf onthullen’

In de sprookjesachtige striproman Habibi behandelt Craig Thompson onderwerpen als vrouwenonderdrukking, seksualiteit en religie.

De Boekenbeurs in Antwerpen is voor Craig Thompson (1975) het voorlopige eindstation van een promotietour van twee maanden. Hij reisde door thuisland de Verenigde Staten en deed in de afgelopen weken Italië, Frankrijk en Duitsland aan om naar eigen zeggen honderden interviews te geven over zijn nieuwste striproman Habibi. ‘Het leukste aan zo’n tour zijn de ontmoetingen met de lezers, behalve als ze zich misdragen zoals daarnet,’ vertelt Thompson. Een fan werd opdringerig bij de signeersessie toen de lijn werd getrokken bij klant nummer vijftig en hij buiten de boot zou vallen. De rest van de sessie waakte een beveiliger over de stripmaker.
‘Het toeren is niet altijd plezierig. Het is erg vermoeiend, maar noodzakelijk en het hoort bij het proces van het strip maken. Het is net alsof je in een band zit. Je wordt bekend door op te treden, niet alleen door een album uit te brengen.’

Seksueel trauma
Dat nieuwe album is Habibi: een gelaagde striproman van ruim 670 pagina’s over de bijzondere liefdesrelatie tussen Dodola en Zem, twee weeskinderen die ontsnappen aan slavernij, samen opgroeien en vervolgens elkaar een tijdlang uit het oog verliezen. Als ze elkaar terugvinden is Dodola het favoriete haremmeisje van de sultan en gaat Zem door het leven als eunuch.

‘Nog voordat mijn eerste strip Good-bye, Chunky Rice (1999) uitkwam, wilde ik al een boek over seksueel trauma maken, maar ik bezat het gereedschap nog niet om dit verhaal te vertellen. Ik moest eerst een betere stripmaker worden en meer zelfvertrouwen krijgen voordat ik zo’n duister project kon aanpakken,’ vertelt Thompson. ‘Ik denk dat iedereen seksueel trauma ervaart. Verkrachting, molestatie en misbruik komen overal ter wereld voor. Daarnaast zijn er verschillende lagen van meer subtiele vormen van misbruik of trauma waar mensen mee te maken krijgen als ze opgroeien en zich seksueel ontwikkelen. In mijn jeugd is er iemand die dicht bij mij staat verkracht. Ook al was het een tweedehands trauma en is het mij niet direct overkomen, die gebeurtenis heeft echt mijn leven gevormd. Ik móest dat in een boek verwerken.’

Worsteling
Personages die op gespannen voet met hun seksualiteit leven is een terugkerend thema in het werk van Thompson. In het autobiografische Blankets (2003) verhaalt hij zijn worsteling met ontluikende seksualiteit en een streng christelijke opvoeding, terwijl hij zijn eerste grote liefde memoreert. In Habibi biedt Dodola haar lichaam aan om te overleven terwijl Zem zich zo erg voor zijn seksuele gevoelens schaamt dat hij zich laat castreren. ‘Ik denk dat mensen zich op verschillende momenten in hun seksuele leven, kunnen herkennen in de archetypes van de prostituee en de eunuch. Soms ben je de prostituee, dan ben je losbandig of je bent middels seks wanhopig op zoek naar een diepere betekenis. En dan zijn er momenten in je leven waarin je volledig bent afgesneden van je seksualiteit, zoals een eunuch of een celibatair priester.’

De stripmaker erkent dat zijn fascinatie met het onderwerp deels te maken heeft met zijn religieuze achtergrond: ‘Religieuze dogma’s kunnen je seksleven in de weg zitten, net zo goed als dat ze spiritualiteit in de weg zitten. Religie kan spiritueel castrerend zijn. Iedereen is spiritueel of men dat nu erkent of niet. Geloof kan een barrière vormen en mensen afsnijden van hun eigen idee van spiritualiteit.’

Goddelijkheid
Thompson beschouwt zich tegenwoordig agnost: ‘Ik geloof dat er iets is dat veel groter is dan mijzelf. Je moet leren om goddelijkheid in jezelf en alle mensen te herkennen. Dat is in essentie wat liefde is.’

Behalve seksueel trauma behandelt Thompson ook onderwerpen als milieuvervuiling en de grote verschillen tussen arm en rijk in het gelaagde Habibi. Met dit boek kon hij een persoonlijker verhaal vertellen dan met Blankets of zijn geïllustreerde reisdagboek Carnet de voyage: ‘In een autobiografie ben ik het enige personage waar ik echt voor kan instaan. De andere mensen in dat verhaal zijn eigenlijk verwaterde versies, het zijn mijn percepties van die personen. In fictie staat ieder personage voor een bepaald facet van de auteur. Ieder personage, zelfs de nare figuren, zijn een deel van je, dus onthul je meer van jezelf. Van het maken van Carnet de voyage heb ik geleerd dat je in memoires de meest pikante zaken achterwege laat. De beste dingen van het leven, de meest kwetsbare en rauwe dingen, zijn te privé om te onthullen. Anders doe je te veel mensen pijn. Je kunt dus meer onthullen in fictie.’

Craig Thompson. Foto: Michael Minneboo

Duizend-en-één-nacht
In Habibi verwijst Thompson veelvuldig naar verhalen uit de Bijbel en de Koran, en legt deze naast elkaar om de overeenkomsten te benadrukken. ‘Ik zie religie als een menselijke constructie die een barrière vormt tussen mensen en culturen. Je moet die grenzen opheffen, want er zijn veel meer verbindingen dan scheidingen. Religies die voortkomen uit Abraham – judaïsme, christendom en islam – zijn in de kern allemaal hetzelfde omdat ze voortvloeien uit dezelfde verhalen, terwijl mensen altijd de verschillen benadrukken.’

De sfeer en setting in het boek, de woestijnlandschappen, de harem van de sultan en de architectuur van het paleis en de steden, doen erg denken aan een romantisch beeld van het Midden-Oosten zoals we dat kennen uit verhalen als Duizend-en-één-nacht – een overduidelijke inspiratiebron voor Thompson. ‘In Habibi wilde ik aan de ene kant de stereotypen die we kennen uit oriëntalistische sprookjes als Duizend-en-één-nacht gebruiken terwijl ik tegelijkertijd de thema’s uit die verhalen op een dieper en reëel niveau wilde onderzoeken. Ik had veel plezier in het goochelen met die twee elementen.’

Vrouwen
De stripmaker toont een patriarchale maatschappij waarin de vrouw een ondergeschikte rol speelt. In de eerste scène wordt Dodola al op negenjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan een oudere man. Geeft de stripmaker daarmee commentaar op Arabische cultuur? ‘Dit is niet specifiek voor de islamitische samenleving, maar een universeel verschijnsel. Het is 2011 en over de hele wereld is er geen sprake van echte gelijkwaardigheid tussen de seksen. Zelfs in zogenaamd beschaafde culturen als Amerika zijn er nog steeds minder kansen voor vrouwen.’

Erotiek
Nu Habibi na jaren arbeid af is, is de stripmaker nog niet klaar met het onderwerp seksualiteit. Een van zijn volgende projecten wordt een strip over seks. ‘Ik onderzoek de historie van erotiek en erotische kunst, want naar mijn mening is dat nog niet op de juiste manier in strips behandeld. En dat moet, want strip is een veel geraffineerder medium om erotiek te verbeelden dan bijvoorbeeld fotografie dat makkelijk pornografisch en uitbuitend kan zijn. Dat zit in de natuur van deze twee media. Fotografie steelt een beeld. Het neemt, terwijl tekenen juist geeft. Tekeningen kunnen veel menselijker zijn.’

Craig Thompson: Habibi
Een deken van sneeuw (Blankets)
(uitgeverij Oog & Blik/De bezige bij)

Dit artikel is in VPRO Gids #50 gepubliceerd.

Categorieën
Bloggen Media

De kunst van een goede krantenkop

Illustratie: Emma Ringelberg

Als ik een artikel inlever bij de krant of een tijdschrift, doe ik daar altijd een suggestie voor de kop bij. Soms wordt deze overgenomen, soms ook niet en maakt de eindredacteur er iets anders van. Iets wat hij beter vindt bekken, iets wat volgens hem beter de aandacht van de lezer trekt. Want dat is natuurlijk de functie van een goede kop: zorgen dat het betreffende stuk gelezen wordt.

Dat betekent soms ook dat er een andere kop boven je stuk staat dan je zelf voor ogen had. Dat pakt lang niet altijd slecht uit: de zeldzame keren dat de eindredacteur van de VPRO gids een titel van mijn artikel had aangepast, was het eindresultaat altijd beter dan ik had voorgesteld. Goede koppen maken is een vak apart.

De veranderingen pakken niet altijd even fijn uit. Soms wordt er een klein dingetje uit een artikel gelicht en door de kop benadrukt. Dat is lang niet altijd de strekking van het stuk. Dat blijkt ook uit dit item van De waan van de dag van vrijdag 18 november.

Leuk aan het item vind ik dat je een klein kijkje op de werkvloer bij Het Parool krijgt. Eindredacteur Ronald van der Horst komt aan het woord. Ook komen er een aantal belangrijke eigenschappen van een goede krantenkop aan bod. ‘Een aantrekkelijke kop prikkelt, en moet een uitnodiging zijn aan de lezer: “Dit stuk moet u lezen!”, aldus Van der Horst.

Bekijk de video in andere formaten.

Koppen voor een blog
Een kop als ‘Ik huil nooit’ zoals die boven het artikel van Frénk van der Linden stond in De Volkskrant, zou niet goed passen boven je blogpost. Goed, het trekt aandacht, maar je lezer weet niet waar het precies over gaat, want nergens in de kop staat wie die uitspraak doet. De kop is niet informatief genoeg, al trekt die online net zo goed de aandacht van een lezer als op papier.

Een blogger hoort wat mij betreft een kop te maken die aandacht trekt, maar die ook de lading van de blogpost dekt. De titel van je blogpost moet informatief zijn, anders kunnen de zoekmachines er ook geen chocolade van maken.

Dat laatste houdt vooral in dat het onderwerp duidelijk in je titel moet staan. Is je blogpost een interview? Dan moet de naam van de geïnterviewde in je kop voorkomen. Sterker nog: ik geef in dat soort gevallen in de titel ook aan dat het hier om een interview gaat. Daarna kan altijd een mooi citaat volgen die de lading denkt of prikkelt. Als ik een striprecensie publiceer, noem ik dat ook in de kop. Dat helpt de Googler die op striprecensies van dat specifieke album zoekt.

Als ik zo naar de blogposts van de laatste weken kijk, is meteen duidelijk dat ik voor de meer zakelijke en informatieve koppen ga. Maar goed, ik heb dan ook vooral een informatief blog met hier en daar een persoonlijke noot. Ik kan me goed voorstellen dat een kop als ‘Ik huil nooit’ heel goed in een lifeblog zou passen. Dan is het onderwerp van de site immers de blogger zelf.

De kop boven dit stuk had overigens ook een vraag kunnen zijn: Wat maakt een goede krantenkop? En misschien had het woord bloggen er ook in voor moeten komen. Aan de andere kant: je kan ook niet alles dekken met een kop. Het is dan ook de bedoeling dat je lezers  niet alleen maar koppensnellen maar ook je blogpost lezen.

Categorieën
Strips

TV-programma Beeldverhaal: Reis door de stripwereld

In het nieuwe VPRO-televisieprogramma Beeldverhaal reist de kijker met stripmaker Jean-Marc van Tol door de stripwereld.

‘België is de bakermat van het beeldverhaal. Striptekenaars als Hergé, Franquin en Willy Vandersteen, bepaalden ooit de contouren van de strip,’ vertelt presentator Jean-Marc van Tol aan het begin van de aflevering ‘Suske en Wiske’. Samen met stripjournalist Toon Horsten loopt hij langs verschillende stripmuren in Brussel en Antwerpen waar men op een willekeurige straathoek een afbeelding van Lucky Luke, Guust Flater of Blake en Mortimer kan aantreffen. Strips zijn in België vanzelfsprekender dan in Nederland. Wellicht dat het nieuwe VPRO-televisieprogramma Beeldverhaal het Nederlands publiek meer stripminded zal maken.

Acht weken lang neemt stripmaker Jean-Marc van Tol de kijker mee op reis door de wereld van het beeldverhaal. ‘Het programma is geen Teleac-cursus, eerder een roadmovie. We willen de kijker meer te weten laten komen over strips en enthousiasmeren,’ legt eindredacteur en initiator Pieter Klok uit. De makers richten zich op volwassenen. ‘Het medium behelst meer dan alleen de Donald Duck. Er zijn natuurlijk heel veel strips voor kinderen, maar er zijn ook geweldige verhalen voor volwassenen. En soms wordt het bijna kunst, misschien is het zelfs wel kunst.’

Springplank
Gert Jan Pos, recent afgezwaaid als stripintendant van het Fonds BKVB, adviseerde en schreef de basisscenario’s waar het televisieteam op voortborduurde. Pos stelde voor per aflevering een specifiek thema te behandelen aan de hand van een strip of stripfiguur. Zo is psychiater Sigmund uit de Volkskrant de springplank om dieper te duiken in de krantenstrip en de vraag wat humor nu eigenlijk is.

Jan Kruis met Jean-Marc van Tol.

In de eerste aflevering is Jan, Jans en de kinderen, de populaire strip die sinds 1970 in de Libelle verschijnt, de aanleiding om de autobiografische strip te onderzoeken. Geestelijk vader Jan Kruis vertelt hoe hij zijn eigen gezinssituatie indertijd als inspiratiebron gebruikte voor zijn strip over de fictieve familie Tromp. Ook praat Van Tol met de jongere generatie autobiografen. Die voeren zichzelf op als stripfiguur en maken verhalen over hun dagelijks leven. Van Tol vraagt aan hen hoe eerlijk je kunt zijn als je beeldverhalen over je eigen leven maakt. Wat laten de stripmakers wel en niet zien?

Tekstballonnen
‘We pretenderen niet dat het programma volledig is en alles behandelt,’ zegt Klok. ‘We hebben onderwerpen gekozen die we gaaf vonden. Iedereen kent bijvoorbeeld Kuifje, maar lang niet iedereen weet dat dit ook het eerste moderne stripverhaal in Europa was. Dat wilden we graag vertellen. Daarom gaat er een aflevering over Kuifje en geestelijk vader Hergé.’
‘Hergé is de eerste in Europa die tekstballonnen gebruikte,’ vult Pos aan. ‘Het is bijzonder dat die er in het eerste Kuifje-album uit 1930 al in staan, terwijl Marten Toonder in 1950 de tekstballon nog afdeed als belachelijk en onnodig. Dankzij Toonder is de ontwikkeling in Nederland achtergebleven.’

Heinz.

Drie jaar geleden stapte Pieter Klok van productiehuis Human Factor stripwinkel De Noorman in Arnhem binnen om zijn verzameling Heinz-strips compleet te maken. ‘Ik keek eens rond naar alle stripboeken die daar lagen en besefte dat ik maar weinig strips kende. Welke zijn er allemaal en hoe is het in Nederland eigenlijk gesteld met de strip? Ik besloot me in de scene te verdiepen. Aangezien ik televisiemaker ben, vond ik dat daar een programma over moest komen.’

Stripmaker onder de stripmakers
De presentator moest de spil van het programma worden. Via een tip van beroepsgrappenmaker Owen Schumacher kwam Klok bij Jean-Marc van Tol terecht. Van Tol is de tekenaar en medebedenker van de populaire strip Fokke & Sukke. Daarnaast zet hij zich al jaren in om ervoor te zorgen dat het beeldverhaal meer aandacht krijgt. ‘Televisie is hét medium om een groot publiek te bereiken. Dat is goed, want heel veel mensen weten niet wat voor gave strips er in Nederland gemaakt worden,’ zegt Van Tol. ‘We zijn in de stripwereld lang bezig geweest met zeggen dat strips interessant zijn. Dat moet je niet zeggen maar laten zien, dan kan men zelf bepalen of het interessant voor ze is of niet. Ik wilde een goed programma maken waardoor de toeschouwer wellicht denkt: in plaats van een normaal boek koop ik eens zo’n gek stripboek. Wie weet spreekt het mij aan.’

Van Tols jongensachtige enthousiasme werkt aanstekelijk. In de aflevering ‘Suske en Wiske’ spreekt hij vol bewondering met Willy Linthout die met Jaren van de Olifant een persoonlijke strip maakte over de dood van zijn zoon. In de aflevering over superhelden hoort hij met verbazing aan dat Action comics #1 waar het eerste optreden van Superman in staat, tegenwoordig voor meer dan een miljoen dollar onder de hamer gaat.

Jean-Marc en de stripverzamelaar. Deze illustratie van Erik Kriek is een van de scèneovergangen van Beeldverhaal.

Veertien keer over
Een groot voordeel van Van Tol is dat hij zelf strips maakt en weet waar hij het over heeft. ‘Dat vonden veel stripmakers die we interviewden een verademing,’ zegt Klok.
Dat Van Tol geen raspresentator is, hebben de programmamakers ook gemerkt. Hij had vaak moeite met de voorgeborduurde tekstjes. Aangezien Klok per se niet op een voice-over wilde terugvallen om de boel aan elkaar te praten, improviseerde Van Tol ter plekke vaak de presentatieteksten. ‘In de België-aflevering loop ik richting de Vandersteen studio en vertel ik daar wat over. Dat hebben we geloof ik wel veertien keer overgedaan. Soms stond ik met mijn hoofd tegen een boom aan te beuken omdat ik weer Fokste en Sukste of iets dergelijks had gezegd.’

In dezelfde aflevering onderbreekt Van Tol plotseling een interview met de schrijver en tekenaar van Suske en Wiske als hij hoort dat de kleinzoon van Vandersteen in de andere kamer aan het werk is om die even te begroeten. Klok: ‘Die spontane acties werkten vaak heel goed maar daardoor zitten we in de montage soms flink te zuchten om het allemaal goed te knippen.’

Lost in translation

Haruko Kashiwagi met Jean-Marc.

Van april tot en met oktober trok Van Tol erop uit met Klok, cameraman/regisseur Martijn Tervoort en geluidsman Peter van den Berg, naar Amerika, Japan, België en Nederland om stripmakers te interviewen. De beste herinneringen houdt hij over aan Japan, waar de aflevering over manga is gedraaid. ‘Dat was net Lost in Translation,’ vertelt de stripmaker. ‘We spraken daar via een tolk: Edwin, een 25-jarige student Japans uit Nederland. Als vraagsteller ging ik heel raar Engels spreken, je denkt dat die Japanners het dan wel een klein beetje begrijpen. Maar ze begrijpen helemaal niets en jij begrijpt helemaal niets van het Japanse antwoord. Edwin was een zeer serieuze, ietwat bedeesde jongen. Bij onze eerste ontmoeting interviewde ik meteen Haruko Kashiwagi. Zij maakt erotische strips! Uiteindelijk kwam Edwin toch nog los. Op onze laatste dag hebben we een karaokebar bezocht en met zijn vijven op de nummer 1-hit van dat moment de polonaise gedaan.’

Onbereikbaar
Lang niet iedereen die op het verlanglijstje stond zit in het programma. Het lukte niet om Robert Crumb, boegbeeld van de Amerikaanse undergroundstrip, te interviewen. Ook bleef Stan Lee onbereikbaar. Schrijver Lee bedacht in de jaren zestig superhelden als Spider-Man, The Fantastic Four en de Hulk en ontketende daarmee een revolutie in het genre: hij maakte de superhelden meer menselijk. ‘Het lukte uiteindelijk niet om hem te spreken,’ vertelt Klok, ‘maar daar hebben we een mooie oplossing voor bedacht. Hij gaf een signeersessie op de Comic Con in San Diego. Je ziet Lee op de achtergrond terwijl Jean-Marc hem aanwijst: “Kijk daar is Stan Lee!” Die onbereikbaarheid maakt hem eigenlijk alleen maar groter.’

Striptelevisie
Televisie en strips: het is een lastig huwelijk. Strips dienen vaak als basismateriaal voor tekenfilmseries, maar programma’s waarin serieus over het medium gesproken wordt zijn als spelden in een hooiberg moeilijk te vinden. Een hele generatie groeide op met Wordt vervolgd van Han Peekel dat van 1983 tot 1997 op de buis was. Van Tol: ‘In het begin was Wordt vervolgd een serieus programma over strips. Ik heb echt goede interviews gezien met stripmakers. Het programma ging een beetje aan zijn eigen succes ten onder. Han Peekel had in de gaten dat die imitaties van Donald Duck het goed deden en toen kreeg je wedstrijden en dat soort dingen. Ik denk dat dit mede verantwoordelijk was voor het beeld dat strips alleen voor kinderen zijn.’

Tot nu toe was er weinig ruimte voor de strip op televisie. In de afgelopen jaren ging er soms een Avro Close-up over het beeldverhaal. Arnon Grunberg interviewde voor VPRO’s R.A.M. eens enkele bekende Amerikaanse stripmakers, waaronder legende Will Eisner. Maar daar is Van Tol niet erg over te spreken: ‘Ik vond het zo erg dat hij er zo weinig verstand van had, maar wel met zoveel pretentie vragen stelde. Met plaatsvervangende schaamte heb ik dat bekeken. Ik hoop dat uit het Beeldverhaal blijkt dat ik het werk boeiend vind en dat je dan als kijker voelt dat strips interessant zijn.’
Pos vult aan: ‘De volgende stap zou zijn dat strips ook behandeld worden in een boekenprogramma. In The New York Times wordt gewoon de nieuwe Batman besproken als graphic novel. Zo ver zijn we nog niet.’

Beeldverhaal wordt uitgezonden vanaf zaterdag 29 oktober, 23.05 uur op Ned2.

De leader van het programma:

Alle uitzendingen op een rij

29 oktober, aflevering 1: Jan, Jans en de kinderen
Centraal staat de autobiografische strip. Sommige striptekenaars gebruiken hun eigen leven als inspiratiebron, maar hoe ver gaan ze daarin en hoe eerlijk moet je zijn?
Gesprekken met onder meer Jan Kruis (Jan, Jans en de kinderen), Barbara Stok en Gerrit de Jager (De familie Doorzon).

5 november, aflevering 2: Superman
Waarom is de Amerikaanse superheldenstrip zo populair in de VS en wat maakt de superheld zo typisch Amerikaans? Aan het woord komen onder andere Chris Claremont (scenarist van X-men), David Finch (tekenaar/scenarist van Batman: The Dark Knight) en stripverzamelaar/BBC-presentator Jonathan Ross.

12 november, aflevering 3: Olivier B. Bommel
Een aflevering over de Nederlandse strip met de focus op de Bommel-strip. Wat maakt deze zou bijzonder en wat is de invloed van Marten Toonder op de Nederlandse strip? Tekenaar Dick Matena, verzamelaar Hans Matla en Pieter Steinz, chef boeken NRC, leggen het uit.

19 november, aflevering 4: Kuifje
Over welke rol de strip Kuifje heeft gespeeld bij het ontstaan van de moderne Europese strip en welke invloed geestelijk vader Hergé op het beeldverhaal heeft gehad. Jean-Marc van Tol praat onder andere met Joost Swarte (tekenaar en Kuifje-kenner) en Henk Kuijpers, tekenaar van Franka.

26 november, aflevering 5: Astroboy
Manga is de Japanse stijl van strips maken. Wat maakt deze strip zo typisch Japans en hoe komt het dat manga in Japan zo enorm populair is?
Met Japanse stripmakers Yoshihiro Tatsumi en Haruko Kashiwagi.

3 december, aflevering 6: Mr. Natural
De undergroundstrip is een alternatieve stroming die in Amerika ontstond en in Nederland navolging kreeg. Maar bestaat underground nog wel?
Van Tol in gesprek met de Amerikaanse undergroundtekenaar Jerry Moriarty, Peter Pontiac en Evert Geradts, tekenaar en oprichter van het stripblad Tante Leny presenteert.

10 december, aflevering 7: Suske & Wiske
België is een belangrijk stripland vanwege strips als Suske en Wiske, maar ook woont er een belangrijke nieuwe generatie stripmakers. Van Tol spreekt onder andere met stripjournalist Toon Horsten, veelbelovend talent Brecht Evens en Luc Morjaeu en Peter van Gucht, de tekenaar en scenarist van Suske en Wiske.

17 december, aflevering 8: Sigmund
Over krantenstrips en tekenaars die elke dag grappig moeten zijn. Maar wat is dat dan, humor? Onder meer Peter de Wit, geestelijk vader en tekenaar van Sigmund, Mark Retera van Dirkjan en Ronald Giphart praten daarover met Jean-Marc.

Hier alvast een voorproefje:

Dit artikel is in VPRO Gids #44 gepubliceerd.

Categorieën
Strips

Interview Peter Pontiac: Horror vacui

Stripmaker en illustrator Peter Pontiac krijgt de Marten Toonderprijs 2011 voor zijn oeuvre, waarmee hij volgens de jury door een combinatie van schrijver- met kunstenaarschap de Nederlandse strip heeft verrijkt.

Sinds bekend werd dat Peter Pontiac de Marten Toonderprijs zou krijgen, bedoeld voor stripmakers die een bijzondere bijdrage hebben geleverd aan het beeldverhaal, heeft hij al menig journalist te woord gestaan. De in 1951 te Beverwijk geboren tekenaar heeft een eigenzinnige stempel gedrukt op de Nederlandse stripwereld. Hij maakt sociaal geëngageerde strips, erotica en bovenal autobiografische verhalen over zijn drugsgebruik en liefdesleven. Soms grimmig en vol zelfbeklag, vaak niet zonder zelfspot en soms heerlijk luchtig zoals in het verhaal over een bezoek aan Lowlands.

In het begin van zijn carrière kreeg hij het predikaat undergroundtekenaar opgeplakt, mede door publicaties in Nederlandse, Spaanse en Amerikaanse undergroundbladen.
De autodidact is bij het grote publiek waarschijnlijk vooral bekend als illustrator. Pontiac tekende covers voor bootlegboeken met songteksten van Country Joe & The Fish, The Rolling Stones en Bob Dylan die eind jaren zestig werden uitgegeven door de Leidse Commune waar hij als uit huisgetrapte tiener een jaar heeft gewoond. Muziek is altijd een belangrijke inspiratiebron voor Pontiac geweest. Hij maakte posters, platenhoezen en illustraties van popmuzikanten voor tijdschriften als Hitweek-Aloha, Muziek Express en Oor. Ook tekent hij voor kranten als het AD en NRC en sieren zijn tekeningen soms de cover van de VPRO Gids.

Rhythm
Behalve 25.000 euro die Pontiac ontvangt, is er naar aanleiding van De Marten een overzichtstentoonstelling in het Graphic Design Museum Breda met de ondertitel Comix, Hot pix & Tragix. Die ondertitel duidt zijn oeuvre goed, vindt de stripmaker: ‘Tragix is het tegenovergestelde van comix; het stoort me altijd een beetje dat het woord comix suggereert dat het allemaal alleen maar lachen is in de strip, terwijl lang niet alle strips om te lachen zijn. Zeker die van mij niet.’

Begin september verscheen Rhythm, een chronologisch overzichtswerk waarin alle stripverhalen van Pontiac zijn opgenomen. In totaal een kleine 400 pagina’s, relatief weinig voor een stripmaker wiens carrière meer dan veertig jaar beslaat. ‘Dat zijn er dus gemiddeld tien per jaar. Dat is helemaal niks in vergelijking tot wat Dick Matena allemaal getekend heeft. Die zal schamper lachen om dat aantal,’ zegt Pontiac. ‘Ik zou graag meer strips maken, maar het levert geen rode cent op. Nederland is immers maar een klein afzetgebied. Het is monnikenwerk waarvoor je maximaal 200 euro per pagina krijgt, als het al ooit wordt voorgepubliceerd in een stripblad. Er zijn nauwelijks nog bladen die er überhaupt voor betalen.’

Barok
Ergens in het midden tussen het cartooneske en realisme zit Pontiacs herkenbare tekenstijl. Zijn zeer gedetailleerde illustraties nodigen uit tot een nauwkeurige studie. ‘Ik ben van de barok,’ verklaart de tekenaar. ‘In een museum zal ik als eerste naar een schilderij gaan waar ontzettend veel op te zien is. De overpowerende veelheid en de variatie van de dingen in zo’n kunstwerk is vergelijkbaar met de pracht en de rijkdom van het leven in al zijn vormen. Barok drukt voor mij datzelfde gevoel van rijkdom en overvloed uit.’

Onzekerheid is een andere reden voor Pontiacs volle prenten: ‘Ik heb altijd een ontzettende horror vacui gehad. Als ik de plaat maar helemaal vol stop dan staan er altijd wel een paar dingen op die de goedkeuring kunnen wegdragen. Ik heb het idee dat ik langzamerhand een niveau heb bereikt, niet per se van kwaliteit, maar van zelfvertrouwen.’

Autobiograaf
Pontiac maakt zich boos over het lot van de minderbedeelden in de wereld. Het sociaal engagement zat er al vroeg in. Als tiener ontdekte hij in een anarchistisch boekwinkeltje in Haarlem politieke bladen uit onder andere Rusland, Duitsland en Frankrijk. Deze stonden vol politieke prenten die hem zeer aanspraken. Ook de tekeningen van Bernard Holtrop op pamfletten van de provobeweging, inspireerden hem. ‘Ik maak graag tekeningen die op de een of andere manier strijd laten zien. Dat is interessant om te tekenen en om naar te kijken,’ zegt Pontiac.

In de jaren zestig en zeventig verwerkten Amerikaanse undergroundtekenaars als Robert Crumb maatschappijkritiek in hun strips die vaak ook autobiografisch waren. Mede hierdoor geïnspireerd begon Pontiac met zijn eigen autobiografische strips. Het eerste stripverhaal was voor een Amerikaans boek uit 1971 over de jaren zestig waar andere tekenaars van het striptijdschrift Tante Leny Presenteert ook aan meewerkten en dat binnenkort, veertig jaar later, waarschijnlijk uit gaat komen. ‘Het lag voor de hand om een verhaal te maken over mijn eigen sixties die behoorlijk heftig waren geweest.’

Gonzo
Pontiac herkende in de gonzo-journalistiek – waarvan het werk van Hunter S. Thompson het bekendste voorbeeld is – een verwantschap met zijn eigen werk. Net zoals pophelden als Bob Dylan, die met Blood on the tracks een plaat over zijn scheiding maakte, verhaalde Pontiac de breuk met zijn vriendin Rita Dolce Vita in zijn strips. ‘Muzikanten hebben pseudoniemen en gebruiken hun eigen ellende als grondstof voor hun werk, dus waarom zou ik dat ook niet mogen doen?’

Junkieromantiek
Pontiacs recreatief gebruik van verschillende verdovende middelen was dikwijls het onderwerp van zijn verhalen. “The Amsterdam Heroine Connection”, gepubliceerd in het striptijdschrift Gummi in 1977, is daarvan het beste voorbeeld. Het verhaal heeft een open einde omdat de tekenaar zijn deadline niet haalde. In de strip verontschuldigt hij zich aan de lezer voor het feit dat de laatste pagina’s een verzameling van oud tekenwerk bevatten. Juist doordat het verhaal halverwege ontspoort en de stripmaker zijn greep op de materie verliest, geeft deze strip op metaniveau aan wat het drugsgebruik met de kunstenaar deed.

Het was vroeger vooral de junkieromantiek die Pontiac naar de naald dreef: ‘Ik zorgde als ik in de trein zat er bijvoorbeeld altijd voor dat mijn spuit uit mijn borstzak stak. Ik vond het echt cool om junk te zijn, helemaal in die sfeer van “Waiting for the man” van The Velvet Underground. Een fantastisch nummer. Als ik dat hoor krijg ik meteen dat gevoel weer: het ritueel van het scoren, de spanning van op de straat naar de dealer toelopen. Achteraf kijk je daar op terug en besef je dat het een sneue bedoening was.’ Serieuze leverproblemen is de prijs die Pontiac voor die wijsheid betaalde.

Spider-Man
Een ander overblijfsel uit die doldwaze tijd is een, inmiddels versleten, tatoeage van de stripheld Spider-Man. ‘Ik ben niet per se een Spider-Man fan, al vind ik het een geweldige figuur. Dat hij Peter Parker heet, dat op Peter Pontiac lijkt, spreekt me ook aan.’
Hoe komt het webhoofd op Pontiacs linkerarm terecht? ‘In 1980 zat ik in café De Trom aan de bar, dat was toen een hotspot op de wallen. Tattoo-artiest Henk Schiffmacher vertelde dat hij een plaatje had van Spinneman dat hij zo mooi vond, dat hij het desnoods voor niets op een arm zou zetten. Toen keek hij mij aan. Ik was niet helemaal fris, dus op een gegeven moment zei ik “Laten we gaan dan.” Sindsdien loop ik dus rond met zo’n Spinneman.’ Pontiac heeft er wel een tijdje spijt van gehad: ‘Toen ik met mijn gezin op Griekse strandjes moest gaan zitten met zo’n grote vleesstempel, vond ik dat wel een tikje gênant.’

Sinds hij op zijn drieëndertigste zijn huidige vrouw en haar kinderen ontmoette, is Pontiac met de harddrugs gestopt, al blijven journalisten ernaar vragen. ‘Ik was een hardwerkende huisvader die de hele dag zat te tekenen om de huur bij elkaar te krijgen en om dan altijd weer geconfronteerd te worden met het feit dat ik die dopey tekenaar was, vond ik uiteraard irritant. Tegenwoordig rook ik overigens nog wel jointjes, want met een stickje wordt het opeens heel aantrekkelijk om een wit vel te gaan vullen.’

Kraut
In 2000 verscheen Pontiacs magnum opus Kraut, over zijn vader die tijdens WOII oorlogsverslaggever was voor de SS en later als roddeljournalist voor damesbladen zijn brood verdiende. De Marten Toonder-jury noemt dit de beste Nederlandse graphic novel ooit. ‘Kraut is een geïllustreerde brief aan mijn vader. Lang niet iedereen vindt het een graphic novel – omdat er geen omkaderde plaatjes met tekstballonnetjes in staan – maar ik wel. Voorin het boek staat een afbeelding van een Grieks sigarettendoosje waarop striplegende Will Eisner aan me schreef dat hij graag zag dat ik ook een graphic novel maakte. Die handschoen heb ik toen opgepakt en Kraut gemaakt.’

Illustratie uit Kraut.

Micky Mouse en Hitler
Al voordat zijn vader Joop Pollmann op mysterieuze wijze verdween in de Daaibooibaai te CuraÇao wilde Pontiac al diens verhaal vertellen. ‘Het is een fantastisch verhaal waar ik allemaal sterke beelden in kon stoppen. Ik vond op zolder ooit zijn oude schetsboek met daarin de Paus en Mickey Mouse, maar ook Mussolini, Hitler en Franco – allemaal helden van mijn vader, de nazi die opgroeide in de heiligenbeeldenwinkel van mijn grootvader. Door zijn verdwijning werd het verhaal alleen maar beter. Ik heb ermee gewacht tot mijn moeder niet meer leefde, ze had de publicatie niet getrokken.’

Door het maken van Kraut kreeg de stripmaker meer begrip voor zijn vader. ‘Toen ik jong was wilde ik helemaal niet met hem over zijn verleden praten. Ik vond gewoon dat hij een nazi was en wilde hem niet steunen door geïnteresseerd te doen. Achteraf heb ik daar veel spijt van. Naarmate je ouder wordt ga je steeds meer zien dat de dingen niet zo zwart-wit zijn.’

De dood
Uitgetekend is de undergroundtekenaar allerminst. Pontiac droomt al jaren van een boek over de dood, wat hij een waanzinnig interessant onderwerp vindt. ‘Ik wil het absoluut maken, zodat wanneer de dood mij komt halen het 1-1 staat omdat ik hem al een keer te pakken heb gehad. Daarbij vind ik het heel erg leuk om skeletten en schedels te tekenen. Er is een prachtig vers van Dylan Thomas waarin hij zijn woede tegen de dood verwoordt: “Rage, rage against the dying of the light.” De klootzak die denkt ons te kunnen halen en het godverdomme ook nog doet. Die emotie zou ik er zeker in verwoorden, maar ook de positieve kant van de dood. Het is natuurlijk tragisch als iemand sterft, maar het is absurd om te doen alsof de dood een vijand is, want er pleit ook van alles voor dat hij een vriend is. In de eerste plaats in de gevallen waarin het leven al helemaal niet leuk meer is, maar wat zou het leven zonder de dood zijn? Hij is de lijst om het schilderij.’

Peter Pontiac: Rhythm
uitgever Oog & Blik/De Bezige Bij

Pontiac, Peter Pontiac
Peter Pontiac werd in 1951 geboren als Peter Pollmann. In zijn strips gebruikt hij namen als Daan Doem en Frankie Lee voor zijn personages. In het echte leven koos hij voor de naam Pontiac omdat hij altijd een hekel heeft gehad aan zijn achternaam: ‘Vanwege mijn vader en dat Duitse met dubbel-l en dubbel-n. Pollmann en Pontiac lijken een beetje op elkaar. Ook kwam ik er ooit achter dat Pontiac de naam is van het laatste Indianen opperhoofd dat zich heeft verzet tegen de blanke krakers van zijn land, de Europeanen.’ Met het automerk heeft het overigens weinig te maken, al krijgt de stripmaker geregeld Pontiac-parafernalia toegestuurd.

Dit artikel is gepubliceerd in VPRO Gids #37.

Categorieën
Strips

Mad op zijn Hollands

In september verschijnt het eerste nummer van het nieuwe Nederlandse Mad magazine, een satirisch blad met artikelen, strips, parodieën op films en televisieprogramma’s. Het Amerikaanse tijdschrift, dat al sinds 1952 wordt uitgegeven, krijgt er (een) weer een Hollands broertje bij. Hoofdredacteur Ger Apeldoorn – gek op Mad, stripkenner, vertaler en schrijver van komedies – licht toe.

Waarom een Nederlandse versie?
‘De tijd is rijp voor een Nederlandse Mad. In economisch slechte tijden is het leuk om te lachen. Een gigantisch deel van Nederland zit te wachten op leuke, verteerbare dwarse humor.’

Want, dat hebben we hier niet?
‘Nee, ik vind dat Nederland in bijna al zijn cultuuruitingen slecht voor zijn publiek zorgt. Er is ingewikkeld gedoe voor de elite en troep voor de massa, maar er zijn een heleboel mensen die van slim entertainment houden zonder dat het meteen kunstzinnig gedoe is.’

Wat is de kracht van het blad dat het bijna zestig jaar de lachspieren stimuleert?
Mad is in Amerikaans merk dat niet meer stuk kan. Als jij in Amerika twaalf of dertien bent dan móet je de Mad gaan lezen. Dan leer je dat de wereld geen zoetsappige hemel is, maar dat bitterheid, scherpheid, zuurheid en agressiviteit ook een plaats hebben in humor. Mad haalt iedere pretentie naar beneden.’

Hoe gaat de Nederlandse Alfred E. Neuman,de mascotte van Mad die de covers siert, eruitzien?
‘Exact hetzelfde. Het is gewoon een vertaald Amerikaans blad. Van de 52 fullcolour pagina’s worden er zestien door een Nederlands team gemaakt, dat bestaat uit cabaretiers, cartoonisten, stripmakers, internethumoristen en amateurs. De overige pagina’s zijn vertalingen van de Amerikaanse versie. De Nederlandse editie komt wat betreft toon en inhoud overeen en is te omschrijven als een mix van de onderwerpen van De TV Kantine met de smaak van Koefnoen. Het kan overal over gaan, iedereen mag een tandje kleiner gemaakt worden maar dan wel op een niet-domme manier.’

Wat kunnen we in de eerste nummers verwachten?
‘Onder andere “Alles draait om Linda”, een parodie op de comedy Iedereen is gek op Jack, getekend door Gerben den Heeten. “Tien redenen waarom Maxima een betere koning zou zijn dan Willem-Alexander”, vormgegeven door Joep Bertrams en “Maak zelf je eigen Bløf-song, het is makkelijker dan je denkt” van Wouter Tulp. Verder Mad-klassiekers als Spy vs. Spy en een parodie op de tv-serie Mad men.

Wie moet dat gaan lezen?
‘Het Veronica-, BNN- en Radio 538-publiek. Lezers tussen de 25-35 jaar, maar de nostalgisten zijn natuurlijk zeer welkom. We mikken op een grote oplage en verwachten dat we er 20.000 exemplaren van kunnen verkopen.’

Mad verschijnt 21 september en komt eens per twee maanden uit. Na drie nummers wordt besloten of men ermee doorgaat.Van 1964 tot 1994 verscheen al eerder een Nederlandse Mad.

Dit artikel is in VPRO Gids #35 gepubliceerd.

Categorieën
Strips

Rhythm van Peter Pontiac vanaf september in de winkel

Ik krijg als stripjournalist veel boeken thuisgestuurd van uitgevers. Vaak ongevraagd, maar nooit onwelkom. Er zijn ook boeken waar ik naar uitkijk, zoals het verzamelde werk van Peter Pontiac dat begin september uitkomt. Rhythm heet de bundel.

Recent heb ik weer eens Kraut en de Pontiac Reviews, de reeks boeken uitgegeven door Oog & Blik waarin het werk van Peter thematisch is gebundeld, gelezen als voorbereiding op het interview dat ik laatst met hem voerde.

De nieuwe bundel Rhythm zal al Pontiacs stripverhalen bevatten. Voor de liefhebber moet dit het perfecte boek zijn, want zijn strips verschenen overal en nergens. Maar de bundel is ook een prima manier om voor het eerst kennis te maken met een van de grootste striptekenaars van Nederland. Nooit eerder is een compleet overzicht van zijn stripoeuvre gepubliceerd. In Rhythm zijn alle strips chronologisch geordend, het geeft zijn ontwikkeling van de underground-strips uit de jaren zeventig tot zijn latere werk weer, maar ook langere verhalen als Lost in the Lowlands en Requim Fortissimo.

Rhythm komt niet toevallig begin september uit, want op de negende van die maand krijgt Pontiac De Marten in zijn handen gestopt. Om zijn oeuvre te vieren krijgt de tekenaar een welverdiende geldprijs van 25.000 euro.

Op 9 september 2011 wordt de Marten Toonderprijs aan hem uitgereikt in de Grote Kerk in Breda, daarna opent de overzichtstentoonstelling Comix, Hot Pix & Tragix in het Graphic Design Museum in Breda. De expositie loopt van 10 september tot 27 november 2011.

Het interview met Pontiac zal begin september in de VPRO Gids verschijnen.

Categorieën
Strips

Interview Daniel Clowes: Ideale mannen op leeftijd

Daniel Clowes maakte twee intrigerende strips over humeurige mannen van middelbare leeftijd. ‘De ideale man en Wilson zijn twee kanten van dezelfde medaille.’

De naam van de Amerikaanse stripmaker Daniel Clowes (Chicago, 1961) zal niet bij iedereen meteen een belletje doen rinkelen, maar de film Ghost World waarschijnlijk wel. De film uit 2001 van regisseur Terry Zwigoff vond zijn oorsprong in de gelijknamige graphic novel van Clowes, die met Zwigoff het filmscenario schreef.

In Ghost World bekritiseren de achttienjarige meiden Enid en Rebecca, aan de vooravond van volwassenheid, de Amerikaanse maatschappij en het consumentisme. Klasgenoten, ouders en stadsgenoten ontkomen niet aan het meedogenloze oordeel van het duo, zelfs de stripmaker niet. Een scène in de strip die niet in de film terechtkwam, is een signeersessie waarin Clowes zielig en alleen achter een stapel boeken zit te wachten op fans die niet komen. Enid observeert hem op afstand, durft de stripmaker uiteindelijk niet te benaderen en zal later tegen Rebecca zeggen dat ze hem een ‘old perv’ vond.

Superheldenstrips
Eenzame signeersessies kwamen in het begin van Clowes’ carrière wel voor.
‘Vroeger zat ik vaak te signeren in stripwinkels waar ze voornamelijk publiek bediende dat superheldenstrips leest, en die staan ver af van de verhalen die ik maak. Ik zat dan achterin en stripkopers keken dan ongemakkelijk mijn richting uit. Bijna niemand kwam naar mijn tafel, hoogstens een of twee mensen in drie uur,’ vertelt Clowes telefonisch vanuit zijn huis in Oakland te Californië waar hij met zijn vrouw en zoon woont.

Een paar jaar voor de film uitkwam werden Clowes z’n strips al wat populairder en zat hij niet meer alleen. Sinds de verfilming van Ghost World heeft hij een aardige fanbase bij signeersessies. ‘Gelukkig is het nooit te massaal geworden. Ik vind het fijn om een beetje een band te hebben met de mensen op stripbeurzen. Tot nu toe heb ik nog nooit op een podium een enorm publiek moeten toespreken. Daar zou ik ook niet naar uit kijken.’

Worsteling
Recent kwam het album De ideale man (Mr. Wonderful in het Engels) uit. Marshall, een kalende man van middelbare leeftijd, beleeft een stormachtige blind date met Natalie. Eén laatste gooi naar romantiek, zoals hij het zelf omschrijft, die rampzalig verloopt. Marshall gaat niet alleen op de vuist met een zwerver die Natalies tas steelt maar ook met haar ex-vriend op een feestje.

Marshall past prima in de rij bijzondere buitenbeentjes die Clowes creëerde: ‘Ze houden bepaalde principes hoog, waardoor ze zich niet comfortabel voelen bij de rest van de mensheid, terwijl ze daar wel een soort van verbondenheid mee willen voelen. Die worsteling interesseert en inspireert me eindeloos.’

Ook Wilson, het hoofdpersonage uit het gelijknamige album dat vorig jaar in Nederlandse vertaling verscheen, is een humeurig en gefrustreerd mannetje. Anders dan Marshall spreekt hij zijn ongenoegens uit, terwijl Marshall vooral geremd is en met zijn tobberigheid niet zou misstaan in een Woody Allen-film.

Middelbare leeftijd
Dat beide strips over mannen van middelbare leeftijd gaan is vrijwel uniek. Clowes maakte De ideale man in opdracht van The New York Times Magazine waarin de strip in twintig afleveringen werd gepubliceerd. De stripmaker werd vriendelijk verzocht rekening te houden met zijn potentiële lezers: voornamelijk mannen van middelbare leeftijd. ‘Marshalls uiterlijk is een beetje gebaseerd op de documentaire filmmaker Errol Morris. Hij lijkt me het prototype lezer van The New York Times Magazine.’

Los van de beoogde doelgroep, raakte Clowes al eerder geïnteresseerd in verhalen over mannen op leeftijd. ‘Rond 2004 was ik bezig met een strip genaamd The Death Ray, die binnenkort eindelijk in boekvorm uitkomt. Die strip gaat over een tiener in de jaren zeventig en bevat een raamvertelling waarin datzelfde personage op oudere leeftijd op zijn leven terugkijkt. Hij is dan inmiddels een humeurige, gefrustreerde man geworden. Toen ik met dat boek klaar was besefte ik dat ik meer over hem en dit soort mannen te vertellen had. Doordat ik zelf ook die leeftijd heb, realiseerde ik me dat je nooit iemand hoort over hoe het is om de middelbare leeftijd te hebben en in onze maatschappij te leven.’

Wilson en Marshall vormen volgens Clowes twee kanten van dezelfde medaille.
De ideale man wordt volledig verteld vanuit het perspectief van Marshall, alles is gefilterd door zijn gedachten en visie. Wilson is veel meer geëxternaliseerd, je ziet hem handelen en zit niet in zijn hoofd.’ Overigens heeft de stripmaker het gevoel dat hij het onderwerp nu volledig heeft behandeld.

Waarheidsgetrouw
Of het nu gaat om kritische achttienarige meiden of boze mannen op leeftijd, Clowes maakt er doordachte personages van. Hij blinkt uit in het schrijven van levensechte dialogen. Zoals gezegd overheersen in De ideale man Marshalls gedachten alles. Tijdens de date probeert hij een zo goed mogelijke eerste indruk te maken. Marshall is hierdoor zo met zichzelf bezig, dat hij geen woord hoort van wat Natalie zegt. Clowes visualiseert dit door bovenop de tekstballonnen van Natalie de gedachten van Marshall te schrijven.

Natalie en Marshall op hun eerste date. (Dubbelklik op plaatje voor grotere versie.)

Clowes: ‘Een paar vrienden van me lijken in sommige opzichten veel meer op Marshall dan ik. Als ik tegen ze praat ben ik me er volledig van bewust dat ze daar geen woord van horen. Ze draaien een scenario in hun hoofd af terwijl ze op de juiste momenten terloops naar me knikken. Het leek me grappig om dat vast te leggen, want het komt natuurlijk vaak voor, zeker bij mensen die veel tijd alleen doorbrengen. Ze ontwikkelen manieren om met zichzelf te communiceren en vergeten vaak dat ze tegen anderen praten.’

Met een oeuvre vol uitgesproken personages rijst de vraag in hoeverre de stripmaker zijn acteurs gebruikt om zijn mening te ventileren. ‘Ik probeer ze niet perse tot stand-in voor mijn mening te maken, ik wil dat ze individuen zijn. Ze zijn meer vrienden van me, wiens mening de helft van de tijd exact overeenkomt met wat ik vind, maar de andere helft absoluut niet,’ zegt Clowes lachend.

Dan Pussey
In de verhalen over de fictieve stripmaker Dan Pussey uit de vroege jaren negentig schetst Clowes een vilein beeld van de Amerikaanse stripindustrie: ‘Ongetwijfeld begon ik aan Pusseys verhalen om mijn frustraties over de stripwereld te ventileren. Ik wilde wraak nemen op de wereld waarin ik vastzat zonder dat ik daar iets over te zeggen had. De enige plek waar ik mijn strips kon verkopen waren namelijk stripwinkels waar alles draaide om superheldenstrips. Toen ik echter aan die verhalen werkte en Dan Pussey wat beter leerde begrijpen, kreeg ik sympathie voor hem. Ik kreeg steeds meer het idee dat ik net als hij had kunnen worden als ik als tiener een paar andere keuzes had gemaakt.’

Daniel Clowes: De Ideale Man. (Oog & Blik/De Bezige Bij).
ISBN: 978 90 549 2315 2

Wilson (Oog & Blik/De Bezige Bij) ISBN: 978 90 549 2288 9

(beide boeken zijn vertaald door Pieter van Oudheusden.)

In het najaar verschijnt The death ray in Nederlandse vertaling bij Oog & blik/De bezige bij onder de titel Dodelijk wapen.

Dit artikel is in VPRO Gids #32 gepubliceerd.